Sneek rond 1910 • Hertaling naar modern Nederlands ONDERNEMERS IN SNEEK ROND 1910 Een beschrijving van handel, nijverheid en middenstand aan het begin van de 20’e eeuw Door Peter van Egmond, Sneek October 2026

Sneek rond 1910 • Hertaling naar modern Nederlands Hertaling naar modern Nederlands, met behoud van het tijdsbeeld en de gegevens uit de oorspronkelijke tekst. Door Peter van Egmond, Sneek October 2026 Deze tekst beschrijft Sneek zoals de stad er omstreeks 1908-1910 voorstond. Bedragen, aantallen, beroepen en omstandigheden zijn weergegeven zoals ze in de bron worden genoemd. De historische situatie is bewust niet naar de huidige tijd verplaatst. Sneek: algemene beschrijving Sneek ligt in het zuidwestelijke deel van Friesland. In de omgeving komen verschillende bodemsoorten voor. Ten noordwesten van een denkbeeldige lijn die van zuidwest naar noordoost over Sneek loopt, overheerst kleigrond. Ten zuidoosten liggen vooral veengronden, in Gaasterland afgewisseld met zand en op enkele andere plaatsen met zandruggen. Dit is het merengebied: talrijke meren bedekken ongeveer een kwart van het landschap en zijn onderling verbonden door kanalen. Ingepolderde veengronden die jarenlang als weiland worden gebruikt, leveren veel en goed gras. Andere laaggelegen stukken land, die ’s winters onder water staan, worden vooral als hooiland benut. In de omgeving van Sneek bestaat het landbouwgebied vrijwel geheel uit grasland. Veeteelt, vetweiderij en zuivelbereiding vormen belangrijke bronnen van bestaan. Daarnaast zijn visserij, scheepvaart en kleinschalige industrie van betekenis. De welvaart van Sneek hangt daardoor nauw samen met de toestand van de landbouw en de zuivelproductie. Een welvarende marktstad Aan het begin van de twintigste eeuw heeft Sneek het karakter van een welvarend marktstadje. De handel is de belangrijkste bestaansbron. Groothandel wordt maar door een beperkt aantal ondernemers bedreven; de detailhandel neemt een veel grotere plaats in. De vele verbindingen met omliggende gemeenten stimuleren die handel. Vooral over het water is er druk verkeer tussen Sneek en de plaatsen in de omgeving. De onbebouwde grond binnen de gemeente beslaat ongeveer 741 hectare en bestaat uit grasland. Voor Sneek geldt bij uitstek het gezegde: als het de boer goed gaat, gaat het ook de burger goed. Wanneer de boerenstand achteruitgaat, krijgt ook de scheepvaart daar de gevolgen van te voelen. Iedere dinsdag wordt in Sneek veemarkt gehouden. Ook is er een botermarkt, al wordt daar inmiddels veel minder boter aangevoerd dan vroeger. Zuivelfabrieken brengen hun boter doorgaans niet zelf naar de markt; dat gebeurt nog maar bij uitzondering. Daarnaast worden jaarlijks twee paardenmarkten gehouden: op de eerste woensdag na 26 mei en op de derde woensdag in september. De aanvoer van kalveren is in de voorafgaande decennia twee- tot driemaal zo groot geworden en ook het aantal aangevoerde varkens is minstens verdubbeld. Bij runderen is de ontwikkeling minder duidelijk: de aanvoer is in sommige perioden gedaald. Dat betekent niet noodzakelijk dat boeren minder vaak naar Sneek komen. Handelaren bezoeken boeren vaker zelf, terwijl vooral het betere rundvee op de markt in Leeuwarden hogere prijzen kan opleveren. Daar kopen ook buitenlandse handelaren vee in. Fabrieken en nijverheid Sneek had enkele jaren eerder twee grote fabrieken. Een metaalwarenfabriek bood werk aan ruim honderd arbeiders. Een fabriek voor brandkasten en kachels had ongeveer veertig tot vijftig werknemers.

Sneek rond 1910 • Hertaling naar modern Nederlands Beide bedrijven waren inmiddels uit de stad vertrokken: de metaalwarenfabriek verhuisde naar Apeldoorn en de brandkasten- en kachelfabriek naar Hilversum. De nijverheid in Sneek bestond rond 1910 vooral uit kleinere bedrijven, doorgaans met drie tot twintig werknemers. De bron noemt onder meer een zuivelfabriek, een touwslagerij, twee meelfabrieken, een kandijfabriek, een glucosefabriek, acht tabakskerverijen, vier sigarenfabrieken, een steen- en pannenfabriek, twee steenbakkerijen, een olieslagerij, acht drukkerijen, een chemische wasserij, twee koffiebranderijen, twee suikerwerkfabrieken, een leerlooierij, twee glasfabrieken, een vernisstokerij, een kalkoven, een houtzagerij, een machinefabriek, een koperdraaierij, een mineraalwaterfabriek en vier scheepswerven. Verkeer, vervoer en verbindingen Bijna alle plaatsen in de zuidwesthoek van Friesland zijn via het water met Sneek verbonden. De meeste zijn ook over land bereikbaar via onderhouden grind- en macadamwegen. Omdat vervoer over water goedkoper is, worden zware en omvangrijke goederen doorgaans per schip of boot vervoerd. Geregelde scheepvaartdiensten bestaan al lange tijd. Naar de kleistreken rijden bovendien bodewagens; in de richting van Lemmer wordt ook gebruikgemaakt van de Rijksstraatweg. Sinds 1884 is Sneek per spoor verbonden met Leeuwarden en Stavoren. Die verbinding is vooral belangrijk voor reizigers. Enkele jaren later kwam daar de tram bij: via Bolsward is Sneek verbonden met Harlingen en via Joure met Heerenveen en verder gelegen plaatsen. De komst van spoor en tram heeft de andere vervoersvormen niet doen verdwijnen. Het vervoer per schip, boot, kar en wagen bleef bestaan en nam volgens de bron eveneens toe. Karren en vrachtwagens rijden meestal dagelijks of ten minste drie à vier keer per week. Beurtschepen en zeilboten komen vooral rond de wekelijkse markt naar Sneek. Ongeveer de helft van de stoombootdiensten vaart dagelijks; de overige boten doen Sneek één of twee keer per week aan. In 1884 voer er nog een barge naar Leeuwarden en reed er eenmaal per week een omnibus uit Lemmer en Rauwerd naar Sneek. Rond 1910 zijn er nog twee omnibussen die wekelijks naar Sneek rijden. De spoorwegcijfers laten de groei van het verkeer zien. In 1891 vertrokken vanuit Sneek 54.338 reizigers; in 1903 waren dat er 83.080 en in 1908 84.646. Het aantal aankomende reizigers steeg van 62.418 in 1891 naar 97.235 in 1903 en 103.593 in 1908. Ook het goederenvervoer nam toe. Vanuit Sneek werd per spoor 1.881 ton aan bestel-, ijl- en vrachtgoederen verzonden in 1891, 4.651 ton in 1903 en 6.103 ton in 1908. De aangevoerde hoeveelheid steeg van 5.133 ton in 1891 naar 9.055 ton in 1903 en 11.232 ton in 1907. Op de tramlijn Harlingen–Sneek werden in 1908 237.459 reizigers vervoerd; op het traject Heerenveen– Sneek waren dat er 166.665. Het Sneker kantoor van de Nederlandsche Tramwegmaatschappij verzond dat jaar in verschillende richtingen 245.540 kilo bagage, 4.133.865 kilo bestel- en vrachtgoederen, 6.219 stuks vee en 744 wagonladingen vee. Ook telegrafie en posterijen waren druk in gebruik. In 1908 werden vanuit Sneek 18.939 telegrammen verzonden en kwamen er 16.347 binnen. De bron vermeldt daarnaast omvangrijke geldstromen via postwissels, postbewijzen en geïnde kwitanties. De stad was dus niet alleen regionaal handelscentrum, maar ook een belangrijk knooppunt voor communicatie en geldverkeer.

Sneek rond 1910 • Hertaling naar modern Nederlands Onderwijs en opleiding In 1908 telde Sneek zes lagere scholen en twee herhalingsscholen. Op 31 december van dat jaar volgden in totaal 103 leerlingen onderwijs aan de herhalingsscholen. De burgeravondschool was in 1906 opnieuw ingericht. Er werden onder meer natuur- en werktuigkunde, hand- en lijntekenen, technisch tekenen, rekenen, wiskunde en Nederlands onderwezen. De cursus begon jaarlijks op de tweede maandag in september en eindigde op 1 april. Bij de start van de cursus waren er 57 leerlingen, van wie 45 het volledige onderwijsprogramma volgden. De vijfjarige hogere burgerschool telde in 1908 105 leerlingen. Voor de opleiding van de middenstand waren er daarnaast een ambachtsschool en een handelscursus. De ambachtsschool had eind 1908 89 leerlingen: 49 leerden timmeren, 29 smeden — waaronder vuur- en bankwerken — en 11 volgden een opleiding tot schilder. De handelscursus was opgezet door de vereniging Middenstand en bestond uit twee voorbereidende klassen en drie handelsklassen, elk met twaalf lesuren per week. Banken, krediet en faillissementen De kredietbehoefte van Sneek werd bediend door drie particuliere kassiers en twee filialen van bankinstellingen uit Leeuwarden. Ook was er een correspondentschap van De Nederlandsche Bank. Tussen 1 april 1907 en 1 april 1908 werden daar wissels ter waarde van ƒ 43.122,96 en ander handelspapier ter waarde van ƒ 515.906,98 verdisconteerd. Van Gend & Loos meldde dat het in 1907 1.167 wissels uit Sneek had behandeld, met een gezamenlijke waarde van ƒ 95.926,44, en 2.524 wissels op Sneek, ter waarde van ƒ 174.122,31. Verder bestond er een coöperatieve spaar- en voorschotbank van de vereniging „Boaz”. Tussen 1 september 1896, toen de Faillissementswet werd ingevoerd, en 1 januari 1909 werden in Sneek 33 faillissementen uitgesproken van ondernemers die tot de middenstand werden gerekend. Onder hen waren drie bakkers, vijf manufacturiers, vier kruideniers, drie timmerlieden of aannemers, twee winkeliers in galanterieën, drie caféhouders en twaalf ondernemers uit andere bedrijfstakken. Volgens het onderzoek waren ongeveer dertien faillissementen ontstaan doordat een zaak met onvoldoende kapitaal was begonnen. In circa elf gevallen was de ondernemer volgens de onderzoekers niet voldoende toegerust om zelfstandig een bedrijf te leiden. Twee faillissementen werden toegeschreven aan drankmisbruik, drie aan familieomstandigheden en vier aan een te hoge levensstandaard of roekeloos zakendoen. De onderzoekers schreven geen van deze gevallen toe aan algemene maatschappelijke omstandigheden. Dit is de beoordeling van de oorspronkelijke enquête en moet als zodanig worden gelezen. Hoe het onderzoek onder ondernemers werd uitgevoerd De samensteller verzamelde gegevens door contact te zoeken met de besturen van de plaatselijke werkgevers- en middenstandsverenigingen. Tijdens bijeenkomsten legde hij het doel van de enquête uit en besprak hij de vragenlijsten. De besturen zouden de leden vervolgens aansporen om de formulieren in te vullen. De respons bleef aanvankelijk echter gering. Van de 32 bakkers stuurde slechts een klein aantal een ingevulde vragenlijst terug. Na herhaald aandringen, persoonlijke bezoeken en hulp van een assistent kwamen uiteindelijk vijftien bruikbare formulieren binnen. Bij de timmerlieden was de respons nog lager: van de ruim twintig leden van de vereniging leverden slechts drie een ingevulde lijst in.

Sneek rond 1910 • Hertaling naar modern Nederlands Daarom werd in Sneek een openbare bijeenkomst gehouden waarop het doel en de werkwijze van de enquête werden toegelicht. Ondanks twee aankondigingen in plaatselijke kranten kwamen slechts ongeveer veertig mensen opdagen, onder wie minder dan dertig middenstanders. Vervolgens werden aan ruim 250 middenstanders vragenlijsten verstuurd. Minder dan vijftig kwamen ingevuld terug, en veel daarvan waren onvolledig. De onderzoeker vulde de ontbrekende informatie daarom aan met gesprekken met vooraanstaande ondernemers uit de verschillende bedrijfstakken en met andere deskundigen. Hij gebruikte daarbij ook zijn eigen waarnemingen. Hij betreurde de geringe schriftelijke medewerking en de beperkte belangstelling voor de enquête, maar merkte tegelijk op dat veel middenstanders mondeling wel bereid waren informatie te geven. Het boekdrukkersbedrijf Rond 1910 waren er in Sneek tien boekdrukkers. Eén van hen was ook boekhandelaar; een ander combineerde het uitgeversbedrijf met een boekhandel. Alle ondernemers hadden lager onderwijs gevolgd. Enkelen hadden daarna herhalingsonderwijs genoten; de uitgever-boekhandelaar had de vijfjarige hogere burgerschool doorlopen. Het vak was door iedereen in de praktijk geleerd. Ruim de helft van de drukkers bezat het pand waarin woning en werkplaats waren gevestigd. De geschatte waarde van deze panden liep uiteen van ƒ 3.000 tot ƒ 10.000. Het pand van de uitgever- boekhandelaar werd op ƒ 25.000 à ƒ 30.000 geschat. Een kleine drukkerij kon volgens de bron met ongeveer ƒ 4.000 worden begonnen. Sommige leveranciers verstrekten drukmateriaal op afbetaling of via huurkoopachtige contracten. Volgens een van de ondervraagde drukkers leidde dit ertoe dat sommige ondernemers tegen extreem lage prijzen werk aannamen om hun betalingsverplichtingen te kunnen nakomen. Als betaling uitbleef, kon de leverancier de op krediet geleverde machines en materialen terugnemen. Papier en andere grondstoffen werden voornamelijk gekocht bij Nederlandse fabrieken en groothandelaren. De hoeveelheden verschilden sterk: kleine drukkers kochten soms voor ongeveer ƒ 70 aan papier, terwijl grotere bedrijven en krantendrukkers partijen van 1.000 of 2.000 kilo inkochten. Andere papiersoorten werden vaak per tien riem gekocht. Betaling vond doorgaans binnen drie maanden plaats; contante betaling leverde twee procent korting op. Gezamenlijke inkoop was niet gebruikelijk. De grotere drukkerijen beschikten over snelpersen, vouw- en snijmachines, perforatie- en hechtmachines en apparatuur voor proefdrukken. Eén bedrijf gebruikte een stoommachine van ruim twee paardenkracht. Een ander dreef zijn machines aan met een gasmotor. Kleinere bedrijven gebruikten deels handkracht, onder meer vanwege ruimtegebrek. Gas kostte zeven cent per kubieke meter, naast meterhuur; dat werd voor industrieel gebruik als duur beschouwd. De grootste drukker had negentien personeelsleden, in leeftijd variërend van dertien tot zestig jaar. Zetters, drukkers en medewerkers aan het brocheren ontvingen volgens de bron uiteenlopende lonen; de oorspronkelijke tekst bevat op enkele plaatsen onduidelijke of beschadigde bedragen. Een ander bedrijf had vijf knechten, drie leerlingen en twee meewerkende kinderen. Een derde had vier krantenbezorgers en vier knechten, die vijf tot tien gulden per week verdienden. In de bedrijfstak werd gemiddeld ongeveer tien uur per dag gewerkt; in de wintermaanden waren de wekelijkse werktijden bij een groot bedrijf 56 uur en in de overige maanden 59 uur. In Sneek werden letters gezet, gedrukt en drukwerk geniet of gebrocheerd. Een gespecialiseerde boekbinderij was er niet. Verschillende kranten werden in de stad gedrukt. Het meeste drukwerk werd rechtstreeks aan de klant geleverd. Tussenpersonen ontvingen doorgaans twintig procent commissie.

Sneek rond 1910 • Hertaling naar modern Nederlands Boeken en uitgaven werden grotendeels via boekhandels verspreid. Tijdschriften, kranten en advertenties werden steeds vaker binnen één of drie maanden betaald; boeken en papierleveranties werden veelal nog op jaarrekening geboekt. De ondernemers die hun boekhouding beschreven, hielden die over het algemeen behoorlijk bij. Zij maakten kasoverzichten en overzichten van hun bedrijfspositie; sommigen konden aan het einde van het jaar ook de winst op afzonderlijke artikelen berekenen. Over de overige bedrijven vermoedde de onderzoeker dat ongeveer de helft voldoende boekhouding voerde en de andere helft tekortschietend. Enkele ondernemers leefden als het ware rechtstreeks uit de kas. Vier boekhandelaren, onder wie de drukker-uitgever-boekhandelaar, waren lid van de Vereeniging van den Boekhandel. Sommige drukkers leverden volgens collega’s onder de redelijke prijs, soms om hun personeel aan het werk te houden. Ook was er kritiek op de prijs van gemeentelijk gas en op de manier waarop de gemeente opdrachten voor drukwerk aanbestedde. Over de financiële toestand liepen de meningen uiteen: sommige ondernemers vonden dat het beter ging, anderen zagen weinig verandering. De eindbeoordeling van het onderzoek was overwegend positief. Het drukkersbedrijf had zich in de voorafgaande jaren uitgebreid en bood werk aan steeds meer mensen. Ook de ondernemers waren er doorgaans op vooruitgegaan. Moderne machines en technische verbeteringen werden betrekkelijk snel toegepast. Omdat Sneek geen eigen gespecialiseerde boekbinderij had, werd een deel van het drukwerk — vooral naar Amsterdam — verzonden om daar te worden ingebonden. Het aannemers- en timmerbedrijf De enquête telde in Sneek vijftien aannemer-timmerlieden en twintig timmerlieden. Ongeveer een derde van de aannemer-timmerlieden nam alleen kleinere bouwwerken aan, zoals eenvoudige huizen zonder verdieping, en hield zich niet bezig met grote grondwerken. De overige timmerlieden waren vooral kleine zelfstandige bazen die niet inschreven op openbare aanbestedingen. Sommigen werkten alleen; de meesten hadden één of twee knechten. Verschillende ondernemers hadden daarnaast een verzekeringsagentschap of een kleine winkel. Eén aannemer was ook kruidenier. Alle ondernemers hadden lager onderwijs gevolgd. De meeste huidige patroons hadden geen ambachtsschool bezocht, maar velen hadden wel tekenlessen, herhalingsonderwijs of privélessen in tekenen gevolgd. Een deel had buiten Sneek praktijkervaring opgedaan, onder anderen in Hamburg en Berlijn. Het beoordelen van hout en andere materialen hadden zij vooral in de praktijk geleerd. Een timmerbaas kon in Sneek met enkele honderden guldens aan gereedschap beginnen. Voor een aannemersbedrijf was ongeveer ƒ 500 tot ƒ 1.000 nodig; wie ook grote grondwerken wilde aannemen, had aanzienlijk meer kapitaal nodig. Leveranciers verleenden vaak krediet voor bouwmaterialen. Het kwam ook voor dat leveranciers borg stonden voor aannemers. Hout werd gekocht bij houthandelaren. Deuren, ramen en kozijnen werden geregeld als halffabricaat bij timmerfabrieken betrokken. De meeste materialen kwamen uit Nederland; cement en hardsteen konden via agenten of groothandelaren uit het buitenland worden geleverd. Bakstenen werden per duizend gekocht, cement bij grote werken per wagon en bij kleinere hoeveelheden per duizend kilo of per zak. Gezamenlijke inkoop was zeldzaam. Hout werd meestal op drie maanden betaald; contante betaling was niet gebruikelijk. De meeste aannemers beschikten over een ponsmachine om gaten en verbindingen in deuren, kozijnen en ander houtwerk te maken. Eén ondernemer had een stoomtimmerfabriek, waar hij voor eigen gebruik produceerde en ook deuren en ramen aan collega’s leverde. De machines kostten naar schatting ƒ 5.000

Sneek rond 1910 • Hertaling naar modern Nederlands tot ƒ 10.000. De onderzoeker betwijfelde of zo’n onderneming kon concurreren met grotere fabrieken, die beter waren ingericht om hout machinaal te drogen. Voor industrieel gebruik gold geen speciaal lager gastarief. Het personeel bestond uit vaste en losse werklieden. Sinds de ambachtsschool bestond, namen sommige patroons geen leerlingen meer aan. Over afgestudeerden werd gezegd dat zij hun aangeleerde vakonderdelen goed beheersten, maar nog niet het hele vak kenden. Metselaars verdienden gemiddeld ongeveer 20 cent per uur, timmerlieden 18 à 19 cent en opperlieden 15 tot 17 cent. In drukke perioden konden goede losse krachten bij aangenomen werk meer verdienen. De normale werkdag duurde in de zomer ongeveer elf uur en was ’s winters meestal korter. In Sneek werkten in deze bedrijfstak naar schatting zestig vaste en ongeveer evenveel losse arbeiders. Burgerwerk — werkzaamheden voor particulieren — werd doorgaans op rekening betaald. Aangenomen werk werd betaald in termijnen volgens de voorwaarden in het bestek. De meeste ondernemers hielden hun eigen boekhouding bij, met boeken voor debiteuren, lonen en kas. Bij grotere opdrachten werd soms een afzonderlijke administratie bijgehouden. Ruim twintig aannemers en timmerbazen waren aangesloten bij een plaatselijke onderlinge patroonsvereniging, die deel uitmaakte van de Algemeenen Nederlandschen Aannemersbond. De ondernemers vonden dat kleine arbeidsbesparende machines vaak niet rendabel waren, omdat er onvoldoende gelijksoortig werk was. Vooral de bouwverordening riep kritiek op: de vele bepalingen en de manier waarop het gemeentebestuur die toepaste, werden als lastig ervaren. Ook de openbare aanbesteding van verbouwingen en nieuwbouw kreeg kritiek. Inschrijvers moesten twee persoonlijke borgen stellen. Volgens de ondervraagden kon daardoor een aannemer zonder voldoende vakkennis of financiële draagkracht het werk voor een te lage prijs binnenhalen, terwijl een bekwame vakman met een reële prijs buiten de boot viel. Bovendien kon de aannemer afhankelijk worden van een leverancier die als borg optrad. De ondernemers pleitten daarom voor betere vakopleiding, krediet- en inkoopcoöperatie, gesplitste bestekken en een herziening van de bouwverordening met een soepelere uitvoering. De onderzoekers beoordeelden de onderlinge verhoudingen tussen de vakgenoten als goed. De financiële toestand van de bedrijven leek gemiddeld vrij stabiel: sommige ondernemers gingen vooruit, andere achteruit. Het koperslagersbedrijf In Sneek waren vijf koperslagers actief. Eén hield zich uitsluitend bezig met blik- en koperslagerswerk. De anderen waren daarnaast vooral installateurs van gas- en waterleidingen en verzorgden reparaties. Ook verkochten zij gaslampen, gaskachels, bierpompen, badkuipen en allerlei voorwerpen van koper en blik. Alle koperslagers hadden lager onderwijs gevolgd; één had daarna nog een school voor uitgebreid lager onderwijs bezocht. Een formele vakopleiding had niemand gehad: allen hadden het vak in de werkplaats geleerd. Voordat zij zelfstandig ondernemer werden, hadden zij doorgaans ongeveer vijftien jaar in het bedrijf gewerkt. Eén had al veertig jaar ervaring. Het beoordelen van grondstoffen leerden zij door ervaring. Alle vijf bezaten hun huis en werkplaats. De geschatte waarde liep uiteen: voor één ondernemer werd ƒ 4.000 genoemd, voor twee ƒ 7.000 en voor de overige twee bedragen van ongeveer ƒ 6.000 tot ƒ 20.000. Om een zaak met winkel, werkplaats en kleine voorraad te beginnen, was volgens de enquête ongeveer ƒ

Sneek rond 1910 • Hertaling naar modern Nederlands 5.000 à ƒ 6.000 nodig. Een uitsluitend op blik- en koperslagerswerk gericht bedrijf kon met minder beginnen. Binnenlandse producten werden rechtstreeks bij fabrieken gekocht en buitenlandse artikelen via importeurs. Eén koperslager kocht in 1909 gaspijpen per wagon, ongeveer 10.000 kilo tegelijk. Er werd meestal op hoogstens drie maanden krediet gekocht. Een partij van duizend kilo leverde doorgaans een gunstige prijs op; grotere hoeveelheden waren nauwelijks goedkoper. Betaling binnen een maand gaf ongeveer anderhalf tot twee procent korting. De gebruikte werktuigen werden met de hand aangedreven. Niemand gebruikte motorkracht, omdat de ondernemers daarvan bij hun kleinschalige werk onvoldoende voordeel verwachtten. Eén bedrijf had zestien kleine werktuigen. Er werden doorgaans geen formele leerlingen aangenomen. De personeelsomvang verschilde sterk: één patroon had onder meer twee jongens, twee halfwas-krachten en acht volwassen knechten, naast winkelpersoneel. Andere bedrijven werkten met zes of zeven knechten, of met slechts één of twee jongens. De knechten verdienden ongeveer ƒ 10,50 tot ƒ 14 per week. In de winter werkten zij rond de zestig uur per week; in de zomer kon dat oplopen tot 69 uur. Bij extra drukte kregen zij soms twee cent per uur extra boven het gebruikelijke uurloon van 13 tot 17 cent. Het werk voor particuliere klanten vormde de kern van het bedrijf. In rustige perioden maakten de koperslagers producten voor de verkoop. Standaardartikelen werden meestal fabrieksmatig vervaardigd en als winkelwaar verkocht; de ambachtsman maakte vooral maatwerk en afwijkende modellen. Het huisschildersbedrijf De bron vermeldt in Sneek vijftien schilderspatroons; vijf van hen vulden de enquête in. Bijna alle schilders oefenden daarnaast het behangersbedrijf uit. Eén ondernemer handelde ook in borstels, kwasten en aanverwante artikelen. De overgeleverde tekst breekt op dit punt af, zodat over de verdere bedrijfsvoering van de Sneker huisschilders op basis van dit document geen aanvullende conclusies kunnen worden getrokken. Slotbeschouwing De beschrijving schetst Sneek rond 1900-1910 als een regionale marktstad waarin handel, landbouw, vervoer en ambachtelijke nijverheid nauw met elkaar verbonden waren. De stad beschikte over spoor- en tramverbindingen, drukke waterwegen, markten, scholen, banken en een breed palet aan kleine en middelgrote bedrijven. Tegelijkertijd hadden ondernemers te maken met beperkte bedrijfskapitalen, lange werkdagen, kredietafhankelijkheid, prijsconcurrentie en kritiek op gemeentelijke aanbestedingen en bouwregels. De oorspronkelijke enquête is niet overal volledig: veel ondernemers leverden geen of slechts gedeeltelijk ingevulde vragenlijsten in, en enkele bedragen en passages zijn in de overgeleverde tekst onduidelijk. Waar de bron geen betrouwbare details geeft, zijn die in deze hertaling niet aangevuld. De tekst blijft daarmee een weergave van het Sneekse bedrijfsleven zoals het rond 1910 door de onderzoekers werd beschreven.