BoekVersie04092026

View BoekVersie04092026 flipbook.

1 Voor mijn moeder, en voor allen die mij leerden wat thuiskomen betekent.

2 Verantwoording Een mens keert niet terug om alles opnieuw te beleven, maar om te begrijpen waarom sommige kamers van vroeger open bleven staan. Dit boek is geen roman, geen dorpsgeschiedenis en ook geen familiearchief. Het is een stroom van herinneringen: het verhaal van een jongen die opgroeide tussen dorp en gezin, school en kerk, warmte en zwijgen, liefde en verlies — en van de man die zeventig jaar later voor hetzelfde huis staat. Wat hier staat, is gebeurd zoals ik het heb beleefd en onthouden. Herinneringen zijn geen processen-verbaal. Ze bewijzen niet alles; ze bewaren wat bleef doorwerken. Ook de taal van het dorp mocht blijven staan: wie een woord niet kent, vindt het achteraan terug. Ik schrijf zo dicht mogelijk bij het kind van toen, maar ik kan niet doen alsof de volwassen man niets meer weet. Hij geeft woorden aan wat het kind alleen voelde. Er wordt in dit boek veel gelachen. Daarom staan lichte anekdotes, humor en zware ervaringen naast elkaar. Humor verdoezelt niets; hij bewaart iets van de veerkracht waarmee een kind overeind blijft.

3 Om de privacy van betrokkenen te beschermen, zijn namen van privépersonen gewijzigd, ingekort of weggelaten. Waar nodig gebruik ik verwantschapsaanduidingen of algemene omschrijvingen. Ook sommige plaatsnamen en instellingen kregen een fictieve naam. Wie herkenbaar zou kunnen worden, heb ik liever beschermd dan benoemd. Dit boek wil geen afrekening zijn en zoekt geen schuldigen op papier; het zoekt woorden voor wat een kind heeft meegedragen en hoe dat later bleef doorwerken. Dit hoofdstuk behandelt de thema's van misbruik, macht en zwijgen. Ik noem het, omdat verzwijgen geen vorm van bescherming meer is. Maar ik beschrijf niet meer dan nodig is: niet uit schroom voor de waarheid, wel uit trouw aan het kind dat toen geen woorden had. Wat telt, is niet elke beschrijving, maar het feit dat een kind daar alleen stond met iets waarvoor het geen taal, geen macht en geen bescherming had. Wat daar gebeurde, bleef daarna niet in dat hoofdstuk. Het meeste in dit boek is licht. Er waren handen, stemmen, tafels en dagen waarop het leven gewoon goed was. De pijn kwam daarnaast te staan, niet in de plaats ervan. De schaduw wist het licht niet uit; zij lag er soms vlak naast, aan dezelfde tafel, in dezelfde kamer, soms op dezelfde schoolbank.

4 Lees dit boek daarom als een terugkeer, zoals men een dorp binnenkomt: langs de kapel, de schoolpoort en de Weststraat, tot aan een keukentafel waar het brood al gesneden is. Alles wat volgt, is opgeschreven in de maat van die plaatsen: een stoof die 's nachts uitgaat, een fiets tegen een gevel, een tuinpad tussen twee huizen, een stem die door de gang roept dat het eten klaar is.

5 Inhoud Verantwoording.2 Inhoud.5 Proloog – Voor het huis van mijn moeder.7 Hoofdstuk 1 – De eerste adem van een dorp.11 Hoofdstuk 2 – Het witte hemd en de eerste stemmen.39 Hoofdstuk 3 – Waar schaamte een naam kreeg.66 Hoofdstuk 4 – Toen het huis veranderde.74 Hoofdstuk 5 – Brood, stemmen, zee en melkwagen.84 Hoofdstuk 6 – Wanneer de kermis kwam.97 Hoofdstuk 7 – Het jaar op wielen.107 Hoofdstuk 8 – Tussen punten, wierook en glas.114 Hoofdstuk 9 – De zonden van jongenshanden.125 Hoofdstuk 10 – De beker en de schaduw.134 Hoofdstuk 11 – De jongen die zijn stem vond.145 Hoofdstuk 12 – Liefde, licht en verlies.159

6 Hoofdstuk 13 – De laatste banken voor de wereld openging.171 Hoofdstuk 14 – De cirkel rond.176 Epiloog – Wat liefde niet durfde zeggen.191 Bronnen en geraadpleegde sporen.195 Woordenlijst.198

7 Proloog – Voor het huis van mijn moeder Ik sta voor het huis van mijn moeder. Het is niet het huis waarin ik geboren ben; dat kleine, witgekalkte huisje is verdwenen. Op dezelfde plek staat al meer dan dertig jaar een groter huis. Mijn moeder woont daar, in 2026, nog altijd. Ze is tweeënnegentig jaar oud. Wie voorbijrijdt, ziet een gewoon huis. Voor mij begon daar alles. Als ik naar de gevel kijk, vallen de stenen van vandaag langzaam weg. Onder het huidige huis blijft het huisje van vroeger bestaan: lage kamers, vertrouwde stemmen en het eerste licht van mijn leven. Ik zie stoffige wegen, velden, bossen, schoolpoorten en huizen waarvan de deur zelden echt gesloten leek. Houtvuur, vers brood, boenwas en natte aarde brengen de vroegere dagen dichterbij. Stemmen van mensen die er niet meer zijn, klinken nog altijd in mij. Voor dat huis staan ook de mensen die mij hebben gedragen. Mijn vader, ernstig en zacht, zat naast mij aan de keukentafel terwijl ik leerde schrijven en rekenen. Later werd hij ziek op een manier die van buitenaf niet te zien was. Als kind merkte ik alleen dat hij vaker thuis was, stiller werd en midden op een gewone dag zijn kracht kon verliezen. Nu zie

8 ik de man die zijn plaats in het gezin probeerde te houden terwijl zijn lichaam hem losliet. Ik herken mijn moeder, die ons gezin rechthield zonder daar veel woorden aan te besteden. Zij was aanwezig in het eten op tafel, in de zorg, bij het vertrekken en terugkeren, en in het onverstoorbaar voortdoen. Toen dacht ik dat moeders er gewoon waren, zoals muren, deuren en seizoenen. Ik zie mijn zus, anderhalf jaar ouder dan ik, vroeg ernstig en praktisch. Terwijl ik verder kon leren, ging zij jong werken en hield zij het gezin mee overeind: haar loon lag op tafel nog vóór iemand erom vroeg. Zij zorgde zoals men toen zorgde, en juist daardoor viel het niemand op. Later kwam mijn broer, de jongste, nieuwsgierig en koppig genoeg om telkens opnieuw te beginnen wanneer iets mislukte. Toen was hij gewoon mijn broer, altijd in de buurt van wat de oudsten deden. Die leergierigheid zat er al vroeg in, lang voordat iemand er een woord voor had. Vandaag zie ik geen helden uit een boek; ik zie gewone mensen die deden wat ze konden met de middelen, gewoonten en verwachtingen van hun tijd. Er waren zorgen en onzekerheden, zoals in veel gezinnen, maar ook huiselijke geborgenheid: samen eten, elkaar opvangen, voortdoen, lachen wanneer het mogelijk was en zwijgen wanneer er niet genoeg

9 woorden waren. Ze boden ons geen overvloed, maar wel het gevoel dat er iemand achter je bleef staan. Dit boek gaat over de jongen die in Hoekzele* opgroeide: langs schoolpoorten, fietspaden, kamers en gebeurtenissen die hij destijds nog niet kon begrijpen. Het volgt ook de man die later terugkeert en ontdekt dat ervaringen uit zijn jeugd blijven doorwerken. Daarom keer ik terug naar het dorp en het gezin, naar liefde en schaamte, naar wat verzwegen bleef en naar wat uiteindelijk woorden kreeg. Ik sta voor het huis van mijn moeder. Achter mij ligt het heden. Voor mij opent zich het verleden opnieuw: langs kamers, straten, scholen en mensen. De avond valt over Hoekzele. In dat verdwenen licht begint het verhaal.

10 Het dorp dat mij droeg Een kind leert de wereld eerst kennen via stemmen, geuren en deuren die voor hem opengaan. Over huizen en mensen, straten en schoolpoorten, kermis en kerk; over een kind dat zijn plaats vond in een kleine wereld waar de eerste woning, de Leuvense stoof, jongensstreken en dorpswegen groter leken dan ze waren.

11 Hoofdstuk 1 – De eerste adem van een dorp Een kind leeft niet in hoofdstukken. Het leeft tussen een kachel die trekt, een tochtscherm achter de voordeur, modder aan de kousen en een tuinpad dat naar het huis hiernaast loopt. Drie dingen waren er vóór mij: een dorp dat zijn wegen al kende, een grond van zand, hars en natte grachten, en een naam die op papier werd geschreven voordat ik hem zelf kon uitspreken. Terugkeren begint dan ook niet bij verklaren, maar bij opnieuw binnengaan. Geboorte en eerste kaart Ik werd geboren in 1956, in de donkere tijd van het jaar. Boven Hoekzele lag dat grijze licht waarin een dorp zich kleiner maakt en dichter rond zijn mensen vouwt. Die dag herinner ik mij niet, maar soms zie ik hem voor mij: laag vuur, gedempte stemmen, natte jassen over een stoelleuning en een huis waar men een kind verwachtte. Buiten stonden de dennen zwart tegen de lucht; binnen stond het water al te warmen. Ik werd geboren in het hospice, een plek waar geboorte en ouderdom bijna dezelfde gangen deelden. Dat woord heeft mij altijd geraakt: sober, oud en beschuttend, alsof het leven er aan beide uiteinden even voorzichtig werd vastgehouden. Vandaag

12 is het opnieuw een zorgplek. Mijn moeder gaat er, tweeënnegentig jaar oud, één keer per week naar het dagverblijf. Zo werd het hospice voor mij een kring: eerst mijn begin, later een zachte halte in haar oude dag. Na mijn geboorte moest ik ook op papier geboren worden. Mijn vader gaf mij aan bij de burgerlijke stand, met twee getuigen naast zich. Of die mannen mij ooit echt hebben gezien, betwijfel ik. Toch volstonden hun namen om mijn bestaan officieel te laten beginnen: een vader, een ambtenaar, twee getuigen en een naam die zorgvuldig moest worden uitgesproken: Luc René. Voor een pasgeborene die nergens weet van had, was dat meteen behoorlijk wat administratie. Dat hij mijn naam ging aangeven, stelde ik mij later voor als een eenvoudige vaderlijke plicht. Pas achteraf kreeg dat beeld een zachtere rand: een man die mijn begin officieel maakte, zonder te weten hoe broos ook zijn eigen plaats in ons gezin later zou worden. Een naam op papier zegt nog niets over de grond waarop hij komt te staan. Voor mij werd dat Hoekzele: geen plaats uit een atlas, maar zandgrond, dennen, natte grachten en volwassenen die aan een naam al hoorden uit welke hoek iemand kwam. Hier hoorde bij elke naam een ondergrond, en bij elke ondergrond een manier van leven.

13 Hoekzele heette vroeger ’t Hoekske: een eigen hoek aan de rand van wat daarbuiten lag. Rechte dreven, hoge dennen, natte grachten, hars en vochtige aarde hielden het dorp samen. Ook de namen kwamen hier uit de grond omhoog: wat in de aarde groeide of eruit gespit werd, keerde terug in wat de mensen zeiden Wat verder lag, bestond wel, maar kwam pas later dichterbij. In oudere monden leefde ook een tweede naam: Krakkepays, meer uit het landschap dan uit een register. Rond het dorp groeiden brem en heide, taaie gewassen van arme grond; in het dialect heette zo’n heidestruik een krakke. Mijn moeder gebruikt dat woord nog altijd, alsof een struik vanzelf ook een oud woord kan bewaren. Zo droeg Hoekzele vóór mijn geboorte al meerdere namen: de officiële op papier, de kleine van ’t Hoekske en daaronder Krakkepays, waarin zandgrond, streektaal en struiken samen ritselden. Een dorp leerde je toen niet via een scherm of een stem die zei waar je naartoe moest. Je leerde het met je voeten. Je wist wie van de Statie kwam, wie van Savooien, wie van de Bokhouten en wie van verder dan de spoorweg. Huizen, achterdeuren, cafés, kerkpaden en bijnamen vormden samen een verborgen plattegrond. Die kende je niet, omdat iemand hem uitlegde, maar omdat je meeliep, luisterde, bleef staan

14 waar volwassenen bleven staan en voelde waar je beter doorliep. Ook namen hoorden bij die verborgen plattegrond. Naast de naam op papier had bijna iedereen een naam waaronder men werkelijk gekend werd: uit beroep, familie, gewoonte of één voorval dat was blijven hangen. Was iemand smid, dan werd hij gewoon Desmet genoemd; veel ingewikkelder hoefde een dorp het niet te maken. Voor kinderen waren zulke namen geen voetnoten bij de geschiedenis, maar richtingaanwijzers. Een bijnaam kon iemand dichterbij brengen, maar ook vastzetten. Soms was één ongelukkig moment genoeg voor een naam die langer meeging dan iemand zelf gewenst had. Hoekzele lag niet open en kaal in het landschap. Bossen en bosranden hielden het dorp bijeen: het Hooggoed, Schuurlo, de randen van het Bulskampveld en verder dat grote bos met zijn vijver, vroeger Mastens goed genoemd. Daar, tussen bomen, water en dreven, lag ook het opleidingscentrum waar jonge geestelijken werden gevormd. Dat wist ik toen nauwelijks. Later zouden sommigen uit die wereld voor de klas staan: welmenende mannen die zorg droegen en kansen gaven, maar ook verbonden raakten met een schaduw die ik toen niet kon begrijpen. Voor een kind klonken zulke namen niet als geschiedenis, maar als richting: daar begon het donkere groen,

15 daar werd het zand natter, daar liep een dreef verder dan je mocht of durfde gaan. Die verborgen plattegrond hield niet op bij Statie, Bokhouten of Savooien. Sommige namen lagen verder naar buiten, waar het dorp dunner werd en het landschap luider sprak dan de huizen. Kliplo hoorde daarbij. Als kind kende ik het niet als leen, ontginning of hoevegeschiedenis, maar als een korte, hoekige naam met bosgrond en verte erin. Pas later las ik dat Kliplo ooit bij het oude Bulskampveld hoorde en pas in de achttiende eeuw echt werd ontgonnen. In dezelfde richting klonk De Vaanders, laag en drassig, met dreven, poelen en natte gronden die nog iets van het oude veld bewaarden. Voor mij waren De Vaanders en Kliplo geen plaatsen uit een register. Het waren namen aan de rand van mijn kinderkaart, waar Hoekzele zijn laatste huizen losliet en overging in beken, bossen en verhalen. Ook Hoekzele droeg zo’n geschiedenis van randen en harde grond: een uithoek tussen hoge dennen, rechte dreven en magere akkers, waar huizen soms te ver uit elkaar stonden om vanzelf beschutting te geven. Als kind kende ik geen kaarten of ontginningen; ik kende zand aan mijn schoenen, hars in de lucht, natte grachten en namen die volwassenen uitspraken alsof ze al jaren tussen de takken hingen. Van buitenaf keek

16 men soms neer op mensen van de bosrand, alsof eenvoud en armoede iets over hun waarde zeiden. Maar achter dat woord hoor ik vooral handen die bleven werken: vrouwen die kant klosten, mannen die als trimards naar Frankrijk trokken, lattenklievers die stammen spleten tot dunne latjes. Zo groeide Hoekzele uit schraalte, arbeid en koppige waardigheid — uit mensen die weinig kregen en toch voortdeden. Van die geschiedenis zag ik als kind vooral losse beelden: vrouwenhanden die sneller bewogen dan ik kon volgen, mannen met kleren die naar aarde, hout of werk roken, een winkelbel die rinkelde voor koffie, zeep of een praatje. Dat er achter zulke gewone dingen een hele geschiedenis schuilt, wist niemand ons te zeggen. Wat voor mij gewoon een dorp was, bleek achteraf door vele handen overeind gehouden. Misschien daarom klonk Sint-Pietersveld zo koud: het lag niet alleen buiten het dorp, maar ook buiten de gewone bescherming van die handen. Sint-Pietersveld begon voor mijn gevoel voorbij de rand, achter de bomen, waar het licht dunner werd. Na namen als Kliplo, De Vaanders of Savooien, waarin nog grond, water en takken zaten, kwam ineens dat andere woord: Sint-Pietersveld. Kouder. Rechter. Bijna zonder geur of landschap. Thuis werd het zelden uitgesproken, en juist daarom werkte het. “Pas op,

17 of ze sturen je naar Sint-Pietersveld,” zei men wanneer een kind te luid was, te koppig deed of te ver buiten de lijntjes ging. Meer uitleg kreeg je niet. Ik zag geen gebouw voor mij, geen poort, geen jongens in rijen. Ik voelde alleen afstand: een lange dreef zonder einde, natte bladeren onder schoenen, ramen waarachter niemand zwaaide. Een plaats verder dan thuis en verder dan vergeving. Daar konden kinderen blijkbaar verdwijnen wanneer volwassenen geen raad meer met hen wisten. Later begreep ik dat er een streng opvoedingsgesticht stond, voor jongens die opnieuw in het gareel moesten. Maar als kind had ik aan dat ene woord genoeg. Sint-Pietersveld was geen plaats op een kaart. Het was de tocht die door de kamer ging wanneer iemand zei dat je van huis kon worden weggehaald. Sommige namen hadden geen bord nodig; ze wezen vanzelf naar het donker. Voor ons kinderen waren autosnelweg en spoorweg bijna staatsgrenzen. De Weststraat was de hoofdstraat, de lijn waarlangs het dagelijkse leven zich ordende: winkels, huizen, stemmen, kerk en kleine ontmoetingen. Van daaruit waaierden de hoeken uit: de Statie met bakker, winkels, café, vakbondslokaal en met Pasen zelfs een eigen kermis; de Bokhouten, droog en stevig van klank; en Savooien, dichtbij en toch apart. Daar woonde familie, zelfs een tante van mijn vader met een klein kruidenierswinkeltje waar koffie, zeep en

18 suiker tussen de rekken hingen. Toch zei men niet zomaar dat zij van Hoekzele waren. Zij waren van ’t Savooien. Die kleine orde had haar eigen winkeltje, groenteboer, kapster, familienamen en stemmen. Pas in het midden van het dorp, bij de kerk en langs de Westdreef*, kwamen al die hoeken samen. Later werd de Westdreef grondig aangepakt. In mijn herinnering is er een verhaal over de bakkerij waarvan de gevel tijdens de werkzaamheden instortte. Of het werkelijk zo gebeurd is als ik het mij herinner, weet ik niet meer zeker. Misschien staat het nergens genoteerd. Maar sommige dorpsverhalen blijven leven zonder stempel of verslag: in een blik naar een gevel, in een zin die telkens opnieuw wordt doorgegeven. Ik herinner mij de straat als een rij oudere huizen, met gevels die al veel hadden verdragen: herstellingen, verf, stof en tijd. Toen de weg openlag, leek niet alleen de straat geraakt, maar ook iets van het oude dorp erachter. Vernieuwing liet even zien hoe broos het verleden was. Al die kleine hoeken — Statie, Bokhouten, Savooien en de straten rond de kapel — vonden op zondag en bij grote dagen hun midden terug bij de kerk. De klokken luidden, en het dorp wist hoe laat het was. Rond dat dorpshart lagen het kapelleken en de kleine rituelen die het jaar vormgaven. De processie hoorde daarbij. Dagen vooraf werden ramen gewassen,

19 beelden van Maria of het Heilig Hart klaargezet, vaasjes gevuld en kaarsen gezocht die lang genoeg zouden branden. Langs de straat verschenen stoelen, bloemen, witte lakens en mensen die net iets rechter stonden dan op een gewone zondag. De fanfare zette in, wierook trok traag over de weg en tussen de huizen bewoog het dorp voorbij zichzelf: misdienaars, vlaggen, kinderen, zusters, mannen met vaandels en vrouwen die zacht meebaden. Wie zijn beeld recht had gezet, zijn kaars niet had laten uitdoven en op tijd buiten stond, hoorde er zichtbaar bij. Later liep ik zelf mee in die processie, telkens in een andere gedaante: eerst als engeltje, daarna als kajotter met een vlag en veel later als apostel, dit keer zonder tekst. Dan werd Hoekzele geen verzameling huizen, maar een gemeenschap die traag door haar eigen straten trok en onderweg bevestigde wie zij dacht te zijn. Bij een houtvenditie stonden de stammen opgestapeld langs de bosrand of in een dreef, nat van regen of grof van schors, met de geur van hars, aarde en pas gezaagd hout eromheen. Er werd niet zomaar gekocht; er werd gewikt, gevoeld, gekeken naar dikte, lengte en bruikbaarheid. Een man tikte met zijn voet tegen een stam, een ander boog zich voorover alsof hij in het hout zelf kon lezen. Dan begon het bieden: korte woorden, een hand die even omhoogging, een knik, een prijs die verder

20 sprong. Voor een kind leek dat traag en geheimzinnig, maar voor de mannen was elke frank ernstig. Heel anders was een openbare verkoop na een overlijden. Dan stond men soms in een schuur, op een erf of in kamers waar het leven van iemand nog in de hoeken hing. Stoelen, potten, linnen, gereedschap, oude kasten, een klok, een tafel met gebruikssporen: alles wat jarenlang gewoon bij een mens had gehoord, kreeg plots een nummer, een stem en een prijs. Wat gisteren nog vanzelfsprekend in een huis stond, werd vandaag opgetild, bekeken, betast en meegenomen door iemand anders. Als jongen voelde ik de droefheid daarvan nog niet, maar ik zag wel dat volwassenen uitzonderlijk lang konden nadenken over een stoel die ik alleen als oud beschouwde. Er hing bij zulke verkopen een vreemde mengeling van nieuwsgierigheid, zuinigheid en schroom. Men kwam kijken, maar deed alsof men alleen toevallig passeerde. Men bood mee, maar wilde niet te gretig lijken. De roeper of notaris hield de gang erin, met een stem die prijzen, namen en halve grapjes door elkaar liet lopen. Soms werd er gelachen, soms viel er plots stilte wanneer een voorwerp te duidelijk bij de overledene hoorde. Zo werd een huis of een bos even een dorpsplein:

21 iedereen keek, luisterde, rekende en nam achteraf een stukje van die dag mee naar huis. Zo leerde ik Hoekzele: de namen uit de monden van volwassenen, de grond onder mijn schoenen, het dorp vanaf één deur. Namen die verder liepen dan ik mocht gaan, zand en kasseien die zeiden waar ik was, klokken die zeiden hoe laat het was. Maar voor een kind begint een dorp aan één deur, bij één stoof en aan één tafel waar altijd dezelfde stoelen stonden. Van de kerk en de Weststraat liep mijn weg elke keer terug naar het lage huis in de straat bij de kapel. Het huis als beschutting Ons eerste huis stond in de straat bij de kapel: een lang, laag gebouw, verdeeld in twee woningen. Wie bij ons binnenkwam, stapte rechtstreeks de woonkamer in. Achter de voordeur stond een tochtscherm, wat wij een lijst* noemden. De kou hield je toen tegen met kleine middelen: een scherm voor de deur, de stoof en dicht bij elkaar leven. Het huis ademde klein, warm en vanzelfsprekend. Als kind voelde ik in dat eerste huis al dat een woning meer kon zijn dan beneden wonen rond de kachel. Er waren hogere en stillere plekken, half buiten het gewone leven van elke dag, waar lucht, hout en stof anders klonken. Misschien is daarom

22 het woord voutekamer* later zo sterk in mij blijven hangen: niet alleen als kamer, maar als gevoel van omhooggaan, verdwijnen en even buiten het bereik van de woonkamer staan. Maar hoe geheimzinnig die hoge plekken ook waren, het echte hart van het huis lag beneden, waar het vuur zichtbaar was. In de woonkamer stond de Leuvense stoof, het warme middelpunt van het huis. Daar droogden natte kleren, warmden handen en vielen gesprekken op gang of stil. In de winter hoorde je het trekken van de schouw, het tikken van metaal en het zakken van kolen in de vuurhaard. In de kleine oven legde mijn moeder soms een appeltje, dat traag openbarstte en zijn zoete geur door de kamer verspreidde. Onderaan legden wij onze voeten dicht bij het vuur, tot de kou eruit trok. Later op de avond kwam de warmwaterkruik, gewikkeld in een handdoek die naar zeep en linnen rook. Die kruik was tegelijk troost en waarschuwing: wie er te dicht tegenaan kroop, leerde dat zelfs een kruik karakter kon hebben. De blaffeturen waren verbonden aan de ramen. Wanneer die houten luiken dichtgingen, werd de buitenwereld niet helemaal buitengesloten, maar wel op afstand gezet. Het licht viel smaller naar binnen, stemmen op straat klonken gedempter en de kamer leek dichter rond ons samen te

23 trekken. Voor een kind waren die blaffeturen meer dan bescherming tegen zon, kou of inkijk. Ze hoorden bij het gevoel dat een huis zich kon sluiten als dat nodig was, zoals een hand die even over je schouder kwam liggen. De volgende ochtend begon vaak met kou. Het vuur was uitgegaan, en op de ramen stonden ijsbloemen: grillige tekeningen die de nacht had achtergelaten. We krabden ze weg met onze vingers om naar buiten te kunnen kijken. Soms lag er sneeuw, en dan leek het dorp lichter en zachter. Wanneer het vroor dat het kraakte, bleef vader thuis. Hij werkte in de bouw, en de vorst legde de werf stil. Voor ons kinderen betekende weerverlet vooral dat vader thuis was; voor hem ook onzekerheid, minder inkomen en wachten tot de grond weer openging. Maar vader was niet alleen de man die ernstig werd wanneer het moest. Op gewone werkdagen was hij iemand van handen, stappen en lach: vroeg op, naar de werf, terug met cementstof en zavel aan zijn kleren en soms een kwinkslag nog vóór hij goed binnen was. Hij sprak weinig terwijl er gewerkt moest worden, maar kon plots iets zeggen waardoor de kamer lichter werd. Voor mij hoorde die vrolijkheid net zo goed bij hem als zijn ernst.

24 Omdat het huis klein was, begon buiten bijna meteen aan de deur. Zodra de kou week en de deur openging, schoof de geborgenheid vanzelf over naar de tuin, de schuur en de stalletjes rond het huis. Daar bleef alles dichtbij, maar niet alles bleef veilig. Rond dat huis lag nog een tweede kring: de voortuin, de dieren, de schuur en de stalletjes. Voor een kind was dat geen erf, maar een domein van hout, stro, gaas, dierenlucht en verborgen hoeken. In die voortuin stond ook de volière. Ik herinner mij het fijne gaas, het droge getik van pootjes op hout en het plotselinge opfladderen wanneer je te dichtbij kwam. De vogels hadden altijd iets bedrijvigs, alsof ze dringend overlegden over zaken waar wij mensen geen verstand van hadden. Ik hield van vogels, maar als kleuter vond ik ze het mooist buiten. Op een dag zette ik het deurtje open. De vogels aarzelden niet lang. Er was gefladder, een korte onrust, en daarna vlogen ze één voor één de tuin uit, met een beslistheid waarvoor geen enkele vergadering nodig was. Ik keek hen na, waarschijnlijk met meer verwondering dan schuldgevoel. Toen het lawaai begon, probeerde ik mij nog te redden met een verklaring die mij heel aannemelijk leek. Misschien had mijn grootvader het deurtje van de volière niet goed gesloten,

25 zei ik, of liet ik dat toch verstaan. Alsof de vogels alleen maar gebruik hadden gemaakt van een volwassen nalatigheid en ik hoogstens toevallig in de buurt was geweest. Bovendien was mijn grootvader oud genoeg om iets vergeten te zijn, vond ik; ikzelf was vooral jong genoeg om dat als argument te gebruiken. In diezelfde voortuin stonden ook de stalletjes voor het varken. Het rook naar warm dier, nat stro en iets zwaars dat in hout en aarde leek te trekken. Op een dag werd de sfeer vóór het huis anders. Er kwamen emmers, water, mannenstemmen en bewegingen waar geen spel in zat. De slager kwam langs, en plots deden de volwassenen alsof zij precies wisten wat er moest gebeuren. Mijn zus en ik hoorden vooral het gekrijs van het varken. Dat geluid joeg ons naar boven, weg van de voortuin en weg van wat beneden gebeurde, tot bij het kleine dakvenster van de zolder. Daar zaten we tegelijk veilig en opgesloten, hoog genoeg om niet beneden te zijn en toch dicht genoeg om niets te kunnen ontlopen. We wilden kijken en absoluut niet kijken. Van de schrik kreeg ik een bloedneus. In mijn verbeelding had ik bijna evenveel bloed verloren als het geslachte varken beneden. De volgende dag kreeg datzelfde varken een heel andere rol. Dan stond de slager er opnieuw, niet meer als man van het mes

26 en het gekrijs, maar als meester van koteletten, worsten en stukken vlees die één voor één hun bestemming kregen. De mannen en vrouwen die hadden geholpen, zaten daarna rond de tafel met een versgebakken kotelet op hun bord. Er werd geproefd, geknikt en misschien nog eens bijgenomen. Wat voor mij de dag voordien bijna een bloedbad was geweest, bleek voor volwassenen nauwelijks vierentwintig uur later een geurige maaltijd met jus. Na zulke schrik zocht een kind geen uitleg. Het zocht een keuken met licht, een hand op zijn hoofd en een stoel die al was bijgeschoven. Die stond niet ver: aan het einde van het paadje, in het huis naast het onze. Die geborgenheid kwam niet alleen van het huis zelf, maar ook van de mensen eromheen. Mijn ouders woonden vlak naast mijn grootouders langs moederskant. Tussen de twee huizen liep een platgetreden paadje, een klein spoor van dagelijkse hulp en liefde; voor ons kinderen was dat bijna een gang in hetzelfde huis. Aan het begin van die straat woonden ook een kinderloze tante van mijn moeder en haar man. Wij werden er ontvangen en verwend alsof wij hun eigen kinderen waren. Later kregen we geregeld groenten mee uit de moestuin. Mijn tante duwde ons al eens een centje in de hand, met zo’n gebaar dat tegelijk

27 gul en geheimzinnig was. Voor een kind voelde zo’n muntstuk warm aan, niet door het metaal, maar door de heimelijke liefde waarmee het werd gegeven. Ik nam het telkens aan met de ernst van iemand die begreep dat sommige geschenken niet luid mochten rammelen. Ook later, toen wij al in de straat van de lattenkliever woonden, gingen we er vaak langs. We keerden dan terug met groenten en eitjes in een draagtas, stevig genoeg voor prei en wortelen, maar duidelijk niet bedacht op rondzwaaiende kinderen. Op een dag begon ik onderweg met die tas te zwieren, eerst voorzichtig, daarna met steeds meer overtuiging, tot ik haar uiteindelijk over mijn hoofd trok. De eitjes braken open in mijn haar, liepen langs mijn gezicht en zochten hun weg naar mijn kleren. Wij noemden zoiets gewoon shampoodop*: een woord ergens tussen shampoo, eigeel en kinderlijke verbeelding. Mijn moeder zag er vermoedelijk minder glans in dan mijn haar beloofde. Familie bleef eerst iets dat dichtbij was: een muntstuk in een kinderhand, groenten in een tas, eigeel in mijn haar. Achter die nabijheid lagen oudere wegen, verder dan Hoekzele alleen. Het verhaal van mijn grootouders langs moederskant begon niet in Hoekzele. Zij leerden elkaar kennen in Frankrijk, waar mijn grootmoeder met haar familie naartoe was uitgeweken en

28 mijn grootvader als seizoenarbeider tijdens de bietenoogst ging werken. Grootmoeder sprak haar leven lang vloeiend Frans en West-Vlaams met een licht accent. Hij sprak gewoon het dialect van Hoekzele, stevig geworteld in de aarde van hier. Zijn kleurrijke bietenfrans haalde hij pas boven wanneer er familie uit Frankrijk op bezoek kwam. Dan trok hij een taal aan zoals men een zondags vest aantrekt: niet helemaal passend, maar met overtuiging. En als er een wijntje op tafel kwam, werd dat Frans alleen maar sappiger. Woorden kregen dan meer gebaren mee, zinnen namen een bocht langs Hoekzele en Frankrijk tegelijk, en wij kinderen begrepen vooral dat volwassenen soms heel ernstig konden praten in een taal die op geen enkele school werd gegeven. Ook mijn moeder werd in Frankrijk geboren. Ze ging er een tijd naar de kleuterschool en hield er later nog losse Franse woorden aan over, woorden die plots konden opduiken alsof ze al die jaren ergens stil hadden liggen wachten. Bij haar terugkeer naar Hoekzele werd dat kleine stukje Frankrijk meteen op de proef gesteld. Moeder-overste vroeg haar om het Onzevader in het Frans te bidden. Voor een kind dat nog tussen twee werelden stond, werd taal plots een oordeel. Ze kon het niet. Daarop riep de non dat zij in Frankrijk naar een slechte school geweest was. Zo werd mijn moeder niet eerst verwelkomd, maar beoordeeld. Losse Franse woorden bleven

29 haar leven lang bij; dat ene gebed ontschoot haar precies op het moment dat het moest bewijzen waar zij vandaan kwam. Misschien bleef daarom in haar stem altijd iets van vertrekken en terugkeren hangen. Ook langs vaderskant was de familie dichtbij. Mijn grootouders woonden in de straat waar nog iemand het oude ambacht van lattenkliever uitoefende. Familie bestond uit gezichten, keukens, stemmen en mensen bij wie je wist hoe je binnen moest komen. Mijn grootmoeder langs vaderskant was ook mijn doopmeter, al heb ik geen fysieke herinneringen aan haar. Ik ken haar vooral van foto’s: een vrouw met gitzwart haar, naast haar stoere man. Op die beelden staat zij stil en toch aanwezig, alsof zij bij mijn begin hoorde zonder dat mijn geheugen haar nog kon vasthouden. Ze overleed toen ik twee jaar oud was, aan de gevolgen van kanker. Zo bleef zij voor mij vooral een afdruk: een naam, een gezicht op foto’s en een gemis dat pas later betekenis kreeg. In die kring van ouders, grootouders, tantes en ooms op loopafstand werd over mijn kleine gestel weinig gezegd. Er werd een kom klaargezet, een deken bijgelegd en een deur op een kier gehouden.

30 Mijn eigen leven begon voorzichtig. Ik was een moeilijke eter, geplaagd door een kleine vernauwing van de maagingang. Mijn sneeuwwitte haar maakte mij nog brozer. De verpleegster noemde mij “bleekje”. Liefde werkt vaak zonder veel vertoon: mijn moeder en mijn grootmoeder sleepten mij door die eerste jaren, met geduld dat niet werd uitgesproken maar gewoon werd gedaan. Die vroege kwetsbaarheid verdween niet meteen toen ik groter werd. Zij trok zich terug, maar liet af en toe nog een rood spoor na, alsof mijn lichaam mij eraan herinnerde dat zorg niet alleen bij baby’s hoort. Als kind was ik vatbaar voor hevige bloedneuzen. Op een nacht werd ik wakker in een bed dat helemaal rood zag. Mijn moeder tilde mij op en rende naar de buren, want wij hadden zelf geen telefoon. Onze trouwe huisdokter kwam meteen. Later kwamen er nog vaak bloedstelpende watten aan te pas. Het sterkst bleef de smaak hangen: metaalachtig, warm en onvergetelijk. Daarna kwam de ochtend waarop de deur openging en er niemand meer met mij mee naar binnen liep. Met een jas die nog te ruim zat en watten binnen handbereik thuis, stapte ik voor het eerst de straat op: langs de kapel, over kasseien die ik nog niet bij naam kende, naar de poort van het klooster.

31 School, verhuizing en tuin Toen ik drie werd, stapte ik voor het eerst door de poort van de kleuterschool, vlak naast de hoge muur van het klooster. Wat mij het eerst opviel, was de geur: boenwas, koude steen, oude houten banken, linnen, vochtige muren en ergens ook soep, stijfsel en kloosterzeep. Daar begon mijn eerste schoolse leven: spelen, luisteren, wennen aan andere kinderen en je jas aan een haak hangen. Wachten op je beurt was misschien wel de moeilijkste les. Terwijl school langzaam een tweede omgeving werd, bleef thuis het leven gewoon verder groeien. In mei 1960 werd mijn broer geboren, op dezelfde plaats als ik: in het moederhuis buiten Hoekzele. Van die dagen draag ik een van mijn allereerste herinneringen mee. Mijn grootmoeder en mijn tante reden met elk een kind achter op de fiets over de kasseien naar dat moederhuis. Eerst ging het door de vertrouwde bossen rond Hoekzele, daarna langs het open stuk waar Het Koopmanshof stevig in het landschap stond, met zijn rug naar de wind. Voor mij was het een hele tocht, omdat alles nieuw leek wanneer je achter op een fiets zat en het landschap schokkend onder je voorbijging. Onderweg gebeurde iets wat merkwaardig helder in mijn geheugen bleef zitten. Mijn tante moest plots dringend plassen.

32 Veel keuze was er niet: geen café, geen toilet, alleen velden. Dus verdween ze kordaat tussen de bieten, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. Ik zie haar nog zitten, half verscholen tussen het groen, terwijl haar hoofd boven het veld uitstak als een onverwachte veldwachter. Volwassenen bleken ook noodoplossingen te kennen, met bietenloof als gordijn. Mijn broer zelf herinner ik mij natuurlijk niet als pasgeborene. Later kreeg hij, net als mijn zus, dat ronde gezicht en die blozende wangen die in onze familie zo herkenbaar waren. De komst van mijn broer bleef niet alleen een familiegebeurtenis; ze kreeg, zoals zoveel in een dorp, meteen ook een publieke rand. Kort daarna stond mijn moeder eens buiten met mijn broer op de arm, fier en voorzichtig, alsof zij de wereld even wilde tonen wat er bij ons was bijgekomen. Toen kwam er een dame voorbij die stilte blijkbaar als een gemiste kans beschouwde. Ze bleef staan, keek naar hem alsof ze een lammetje op de jaarmarkt bekeek, en sprak haar oordeel uit met de achteloze zekerheid van iemand die nooit aan twijfel leed: mijn broer was een lelijk kind en begon bovendien op Luc te lijken. Zo kreeg hij zijn eerste oordeel nog vóór hij zijn hoofd kon rechthouden, en mocht ik er zomaar bij dienen als vergelijkingsmateriaal. Mijn moeder vertelde het later zonder bitterheid. Voor haar was hij geen oordeel in het voorbijgaan,

33 maar een kind dat al geliefd was vóór het iets hoefde te bewijzen. Van dat huiselijke nieuwe leven keerde mijn blik telkens weer terug naar de schoolpoort. Van de kleuterschool herinner ik mij vooral juffrouw Anna, maar rond haar stonden nog andere juffrouwen en zusters. Hun namen zijn minder scherp blijven hangen, alsof ze zijn opgelost in de geur en de stilte van het klooster. Eén naam bleef nadrukkelijk aanwezig: zuster Margriet, de directrice. Zij maakte deel uit van dat oude schoolgebouw, net als de koude stenen vloer, de gesloten deuren en de geur van boenwas. Streng was ze, naar de normen van toen misschien vanzelfsprekend, maar voor een kind toch indrukwekkend. In dezelfde wereld leefde ook de herinnering aan de kantschool. Achter de kerk, bereikbaar via een poortje in de kerkhofmuur, stond het gebouwtje waar meisjes al sinds de negentiende eeuw leerden kantklossen en later als spellewerksters mee het gezinsinkomen konden aanvullen. Ik wist gewoon dat de kantschool werd geleid door een non met dezelfde familienaam als ik. Daardoor leek het voor mij alsof die school rechtstreeks met ons verbonden was, alsof het klooster niet alleen boven het dorp stond, maar ook een draad naar onze familie had. De kantschool kreeg iets geheimzinnigs

34 en vertrouwds tegelijk: vrouwenhanden, gebogen hoofden, precisie en muren waarachter ik als kleine jongen alleen maar kon raden. Later kreeg die wereld een kleine, vaste vorm op het plein tegenover de kerk. Daar staan twee monumenten naast elkaar: een bietenvork met bietenmes voor de seizoenarbeiders, de trimards die naar Noord-Frankrijk trokken, en een grote kantklos voor de spellewerksters. Toen waren het voor mij nog losse beelden: bietenfrans, handen die werk kenden en de stille muren van de kantschool. Daarachter lagen soberheid, vaardigheid en volharding die het dorp zonder veel woorden hadden gedragen. Kleuterschool, klooster en kantschool vielen in mijn kinderblik samen: zachte stappen van zusters, de ernst van de directrice, boenwas, deuren en ergens achter muren het tikken van kantklosjes. Een wereld van regelmaat en gedempte geluiden, maar ook van verwondering. Juffrouw Anna had een stem die rust bracht. Geen strenge blik, geen harde woorden: zij gaf kinderen de ruimte om te groeien zoals ze waren. Onder haar zorg bloeide ik open — stil, voorzichtig, maar met een hart dat zich langzaam naar de wereld keerde. Bij haar werd school een plek waar een kind niet luid hoefde te zijn om erbij te horen.

35 Zorg thuis en wennen op school vielen een tijdlang samen. Terwijl ik buiten het gezin leerde wachten, luisteren en mij tussen andere kinderen bewegen, begon thuis de kleine kaart waarop mijn wereld rustte te verschuiven. Eerst kwam er een broer bij. Kort daarna werd ook het huis te klein voor wat ons gezin werd. Het eerste huis bleef vertrouwd, met zijn voortuin en het paadje naar de grootouders, maar kon ons groeiende gezin niet langer dragen. Daarom kwam een ander huis dichterbij: het stille huis van mijn grootvader in de straat van de lattenkliever. De verhuizing voelde niet als een sprong naar een vreemde wereld, maar als een verschuiving binnen dezelfde kring. Alles bleef op loopafstand, en toch veranderde bijna alles van plaats. Sinds mijn grootmoeder er niet meer was, was het huis van mijn grootvader stiller geworden. Er hing een leegte die ik als kind niet kon benoemen: een stoel, een kamer, een gewoonte waar iemand uit verdwenen was. Misschien trokken wij er praktisch gezien in, omdat er plaats was, maar achteraf lijkt het alsof dat huis ook opnieuw stemmen nodig had. De afstand was klein: vijfhonderd meter misschien, van de straat bij de kapel naar de oude ambachtsstraat. Toch was die korte weg lang genoeg om een kind te laten voelen dat er iets werd achtergelaten.

36 Er kwam geen verhuizer aan te pas. Wat mee moest, ging met kar en kruiwagen, rit na rit over dezelfde weg. Een stoel wiebelde boven op een hoop, een kastdeur wilde niet helemaal dicht blijven en ergens stak altijd wel een poot of plank uit, alsof ook de meubels niet zeker waren of ze mee wilden. Zelf mocht ik naast de kruiwagen meelopen, met iets in mijn handen dat licht genoeg was om niet te breken. Ik hield het veel te stevig vast, alsof de hele verhuizing van mijn kleine vracht afhing. Waarschijnlijk was ik meer begeleider dan helper, maar dat verschil maakt een kind niet. Ik stapte ernstig mee, overtuigd dat zonder mijn toezicht minstens een stoel de verkeerde kant op zou gaan. Op een van die ritten kwam ik voorbij het platgetreden paadje tussen ons huis en dat van mijn grootouders langs moederskant. Tot dan toe was dat paadje bijna een gang geweest tussen twee delen van dezelfde geborgenheid. Die dag werd het ongemerkt een afscheid. Ik liep gewoon mee, ernstig en behulpzaam, terwijl achter mij het eerste huis leger werd: de Leuvense stoof zonder ons eromheen, de voortuin al minder van mij, de vertrouwde hoeken stiller dan tevoren. Wat bleef, was niet verdwenen, maar het hoorde voortaan bij vroeger. Voor mij begon het huis van mijn grootvader zich opnieuw te vullen.

37 Aan het einde van de laatste rit stond mijn grootvader in de deuropening. Die rijzige man, met handen als schoppen, zei weinig. Hij stapte opzij, knikte naar binnen en zei alleen: “Kom maar. Er is plaats genoeg.” Misschien was dat zijn manier van graag zien: plaatsmaken zonder uitleg. Voor mij begon dat tweede huis niet als een nieuw adres, maar als een andere manier van wonen. Op zolder waren slaapkamers ingericht: ik sliep er bij mijn broer, mijn ouders hadden hun kamer en mijn zus de hare. Mijn opa bleef beneden. Zo kreeg ieder een plek, hoger of lager, en toch bleef het één huis. De zolder was geen rommelruimte, maar een bewoonde stilte: dak, hout, kraakplanken en schemer waarin verbeelding bleef hangen. Een kind leert een huis niet ineens kennen. Eerst vindt het de deur, dan de stoof, daarna de tuin en pas later de kamer boven, waar alleen de planken nog kraken. Toen het huis langzaam vertrouwd werd, kwam vooral de ruimte naar voren. Bij mijn grootvader hoorden een grote moestuin en een boomgaard met kersen, peren en appels. Voor een jongen van vijf was dat geen tuin, maar een landschap dat zich achter de kamers opende. In het gras liepen konijnen. Mijn vader kweekte ze voor het vlees en om er wat mee bij te verdienen, maar ik zag eerst vooral zachte vacht, snelle oren en nerveus getrippel.

38 In die tuin zag ik vader nog als iemand die wist waar alles hoorde: konijnenhok, fruitboom, riek, rijtjes aarde. Later zou dezelfde tuin ook tonen hoe hard hij moeite deed om die vanzelfsprekendheid vast te houden. Aan die jaren zijn vooral geuren en geluiden blijven hangen: vers omgewoelde aarde in het voorjaar, bladeren in de boomgaard, konijnenpoten door het gras, nat zand aan schoenen na regen. We leefden niet in overvloed, maar in die tuin voelde ik dat nooit. Daar werd eenvoud vanzelf rijkdom, zonder dat iemand daar een groot woord voor gebruikte. Met het grotere huis schoof ook mijn blik op. Eerst was er de deur, dan het tuinpad, dan de boomgaard, en daarna de straat tot aan de kerk. Ik leerde de wegen kennen aan hun ondergrond: zand in de dreef, kasseien aan de Weststraat, gras dat tot in de namiddag nat bleef. Bij elk stuk hoorde een naam en bij elke naam een huis: ik wist achter welke haag een hond stond, bij welke deur men mij riep en waar ik beter doorliep zonder om te kijken. Zo droeg ik de grond in mijn voeten en het dorp in zijn namen mee. Verder reikte mijn wereld niet, en verder hoefde ook niet. Wat daarna kwam, begon met een wit hemd, een boekentas van leer en een schoolpoort die hoger was dan de onze.

39 Hoofdstuk 2 – Het witte hemd en de eerste stemmen Een kind meet zijn leven niet in jaren, maar in drempels. Achter mij lag de kleuterschool, met haakjes, zachte gangen en wachten op je beurt. Voor mij lagen de grotere schoolpoort, de stofjas, het witte hemd en de kerk met haar banken, haar wierook en haar zondagse orde. In datzelfde jaar kwam thuis een houten toestel binnen dat onze woonkamer opende naar werelden waarvan wij tot dan toe hoogstens de namen kenden. Na de schoolbel begon een tweede leerschool: modder, veldstenen, beekjes en de natte rand van het dorp, waar niemand precies uitlegde wat mocht. Zo begon de tijd waarin ik leerde lezen en schrijven — en waarin een bedeesde jongen merkte dat kijken, luisteren en voorzichtig spreken samen een plaats konden maken. De grote school De grote school, zo noemden wij haar. Alleen al dat woord maakte haar groter dan ze in werkelijkheid was. Na de kleuterschool kwam ik terecht in de gemeenteschool van Hoekzele, aan de Westdreef. De afstand van thuis stelde weinig voor, maar in mijn hoofd verhuisde ik naar een ander werelddeel. De zachte beschutting van de kleuterklas bleef

40 achter: jassen aan haakjes, wachten op je beurt, niemand die te hard sprak. Aan de Westdreef klonk alles steviger. Banken stonden in rijen, deuren vielen zwaarder dicht en elk geluid kaatste harder tegen de muren. De schooldag had een ritme dat minder wiegde en meer commandeerde. Daar moest ik niet alleen letters leren vormen, maar ook zelf vorm krijgen tussen andere jongens. Kerk, school en dorpsleven lagen daar dicht tegen elkaar, alsof het dorp zijn kinderen liever niet te ver uit het oog verloor. De gemeenteschool was een jongensschool: geen meisjes in de klas, geen meisjes op de speelplaats. Voor ons voelde dat niet vreemd. Zo was de wereld nu eenmaal ingedeeld: jongens hier, meisjes daar, elk met eigen deuren, regels, meesters, juffrouwen en geheimen. Juist omdat je er niet bij mocht, werden die andere deuren des te boeiender. Mijn zus en ik vertrokken samen in de ochtend vanuit ons huis. Tot aan de Westdreef vormden wij een kleine stoet van twee: zij iets ouder en zekerder, ik met mijn boekentas en mijn voorzichtigheid. Aan de gemeenteschool begon mijn dag. Zij moest nog verder lopen, richting de meisjesschool bij de zusters, achter de kerk. Daar gingen onze wegen uiteen: ik naar de banken van de jongens, zij naar het klooster. Pas ’s avonds kwamen we weer samen aan tafel, elk met verhalen uit een

41 schooldag die de ander nauwelijks kende en daardoor alleen maar geheimzinniger klonk. Alles was er nog vrij nieuw: drie grote klaslokalen naast elkaar en een afzonderlijke refter. Daardoor rook het niet alleen naar school, maar ook naar iets wat pas in gebruik was genomen: boenwas, natte jassen, krijtstof en pas geschuurd hout. De gangen klonken harder dan die van de kleuterschool. Jongensstemmen sprongen tegen de muren terug, deuren vielen droog dicht en elke stap leek iets officiëler te betekenen. Het gebouw zei zonder woorden dat het spelen niet verdwenen was, maar dat het voortaan eerst toestemming moest vragen aan de bel. In het lokaal van mijn eerste en tweede leerjaar zaten twee jaren samen: twee snelheden, twee leeftijden onder één dak. Sommige jongens schreven al met de vanzelfsprekendheid van kleine ambtenaren; anderen zochten nog aarzelend hun plaats tussen bank, papier, schrift en de blik van de meester. Ik hoorde bij die laatste groep. Ik keek eerst. Daarna sprak ik pas, en liefst alleen wanneer ik vrij zeker was dat de zin zonder ongelukken uit mijn mond zou komen. Precies daarom was het zo belangrijk wie er vooraan stond. Mijn eerste meester voelde zo’n terughoudend kind aan zonder het openlijk te ontleden. Hij was amper twintig jaar oud, maar

42 voor ons leek hij al volledig in het bezit van het meesterschap: jong genoeg om nabij te blijven, volwassen genoeg om de klas tot rust te brengen. Hij hoefde zijn stem niet te verheffen om aanwezig te zijn. Juist omdat hij niet duwde, durfde ik te luisteren; en omdat hij wachtte, durfde ik geleidelijk ook te antwoorden. Ik zie hem nog voor me in zijn beige nylon stofjas, met zwart haar dat door de Brylcreem donker glansde en strak, bijna plechtig, naar achteren was gekamd. Zo’n kapsel leek niet zomaar gekamd, maar georganiseerd. Ook zijn stem had die orde: rustig, helder en nooit hard. Hij sprak verzorgd Nederlands, met de zorg van iemand die ons wilde tonen dat woorden niet alleen aan regels moesten gehoorzamen, maar ook veiligheid konden brengen. Ook wij droegen in de klas een stofjas of kiel, net als de meester. Dat moest ons blijkbaar ordelijker, ernstiger en vermoedelijk minder vuil maken. Zelf voelde ik mij vooral een klein werkmannetje van het alfabet, klaar om met pen, inkt en goede wil een dagtaak aan letters te verrichten. Zo’n kiel had iets plechtigs en iets komisch tegelijk: thuis kwam je nog binnen als jezelf, maar zodra de knopen dicht waren, trad je toe tot de grote beroepsgroep van kinderen die netjes moesten

43 leren, terwijl iedereen wist dat inkt, krijt en boterhammen andere plannen hadden. In de winter paste zo’n stofjas nog bij de ernst van het lokaal. Hij hield krijtstof, inktvlekken en schoolse gehoorzaamheid min of meer bijeen, alsof leren eerst moest worden dichtgeknoopt. Maar in de zomer kreeg dezelfde kiel een onweerstaanbare komische uitstraling. Door de open ramen kwamen warmte, speelplaatsgeluiden en de geur van stof en gras naar binnen, terwijl wij daar zaten met een brave stofjas boven een korte broek. Boven de taille waren wij kleine ambtenaren van het schoonschrift; onder de zoom verschenen blote knieën, bruine schenen en schoenen die duidelijk liever buiten waren dan onder een bank. Het uniform geloofde heilig in discipline — maar slechts tot aan de zoom. Daaronder had de zomer het voor het zeggen. Omdat die eerste meester zo geduldig aanwezig was, werd de grote school minder groot. In zijn klas mocht een antwoord even op zich laten wachten. Voor een terughoudend kind was dat veel: iemand die niet aan je trok om je sneller te maken, maar wachtte tot je zelf een stap zette. Zo werd de Westdreef geen breuk met vroeger, maar een eerste oefening in ruimte innemen: tussen rijen banken, krijtstof en jongens die luider waren dan ik begon ik te begrijpen dat voorzichtigheid geen

44 zwakte hoefde te zijn wanneer iemand haar met geduld tegemoetkwam. Communie en eerste stem Het hoogtepunt van dat eerste leerjaar was mijn eerste communie. Voor een kind kwam zo’n dag niet ineens; hij werd langzaam opgebouwd, laag over laag, tot je haast onder de voorbereiding verdween. Eerst was er de dorpskapper, die mijn haar in een vorm bracht waar geen gewone wind nog vat op kreeg. Daarna volgden de korte broek, het witte hemdje, het pied-de-poule-gilet, de zwarte lakschoenen en de witte kousen. Elk kledingstuk maakte mij een beetje minder speelplaats en een beetje meer sacrament. Bij een fotograaf in een dorp in de buurt werd ik vervolgens neergezet zoals men toen een kind voor de eeuwigheid vastlegde: recht, stil, ernstig en bijna heilig. Op die zwart-witfoto sta ik als een braaf ventje dat al begrepen leek te hebben dat bewegen op dat ogenblik niet tot de liturgie behoorde. Onder dat keurige kapsel zaten natuurlijk nog altijd gewone kindergedachten, maar voor de lens hielden zelfs die zich voorbeeldig stil. Omdat mijn eerste meester hoorde dat ik de kerkliederen goed kon meezingen, kreeg die stille jongen onverwacht een tweede manier om zichtbaar te worden zonder veel te hoeven zeggen. Het jaar daarop mocht ik opnieuw tussen de

45 communicanten staan. Niet omdat de hemel mijn eerste communie over het hoofd had gezien, maar omdat mijn zingen blijkbaar bruikbaar was. Ik zong niet om op te vallen, maar met de ernst van een kind dat voelde dat elk woord in de kerk zijn plaats had. In de klas bleef ik voorzichtig, maar zodra er gezongen werd, kwam er iets naar buiten dat in gewone zinnen nog bleef steken. Mijn stem liep als het ware voor mij uit: zij durfde al waar ik zelf nog aarzelde. Aan die tweede verschijning hangt de anekdote met buurvrouw Julia vast. Toen zij mij opnieuw tussen de communicanten zag staan, trok zij daaruit een conclusie die theologisch niet helemaal sluitend was: volgens haar deed ik blijkbaar voor de tweede keer mijn eerste communie. Ze stopte mij vijftig frank toe. Kerkelijk viel daar wellicht een en ander op af te dingen, maar financieel was haar redenering kraakhelder. Ik nam het geld aan met een gezicht waarop engelachtige onschuld en zakelijk inzicht elkaar broederlijk de hand gaven. Uitleg leek mij op dat moment niet dringend. Je moet sommige misverstanden laten staan, zeker als ze ritselen. Zo leverde mijn zangtalent mij niet alleen een plaats tussen de communicanten op, maar ook mijn eerste onbedoelde financiële meevaller: vijftig frank, verdiend met zingen en

46 zwijgen. Voor een jongen die in de klas nauwelijks zijn mond opendeed, was dat een verwarrende rekensom. Dat eerste leerjaar werd daardoor niet alleen het jaar van lezen en schrijven. De meester hoorde mij zingen in de kerk, terwijl de buurvrouw een communicant zag die zij blijkbaar voor twee anderen hield. In de klas zei ik nog altijd weinig, maar tussen kerkbanken, wierook en witte kousen was ik hoorbaar geweest. Daar, in die mengeling van plechtigheid en misverstand, kreeg mijn bedeesdheid voor het eerst een uitweg die niemand hoefde open te duwen. Aan de keukentafel Aan de keukentafel zat ik ’s avonds vaak met mijn vader naast mij. Buiten viel de dag dicht; binnen werden schrift, potlood en schoolboek opengeschoven. Er hing de geur van koffie, papier, potloodslijpsel en warme kolen. Overdag had de meester mij voorzichtig naar woorden geleid; ’s avonds deed mijn vader dat opnieuw, zonder schoolbel, zonder klas en zonder het gewicht van een bord vooraan. Hij had het geduld van iemand die wist dat een kind niet sneller leert omdat men harder kijkt. Soms ging het traag. Dan werd het blad groter dan een akker, en de regels leken voren waarin ik vanzelf scheef zou

47 lopen. Het potlood lag in mijn hand alsof het meer wist dan ik, maar zweeg koppig. Mijn onzekerheid woog zwaarder dan het stukje hout tussen mijn vingers. Mijn vader bleef naast mij zitten. Hij wees aan, legde uit, wachtte en liet mij opnieuw proberen. Hij maakte van huiswerk geen strijd, maar een stille samenwerking. Tussen zijn geduld en mijn aarzeling groeide iets wat ik toen nog niet kon benoemen: vertrouwen. Na enige tijd vond ik blijkbaar dat schrijven in een schrift zijn beperkingen had. Een schrift kon dicht. Een blad kon verdwijnen. Wie werkelijk schrijver wilde worden, moest ruimer durven denken. Thuis had mijn vader net een muur in het vernieuwde toilet gepleisterd. Voor hem was dat afgewerkt werk: strak, proper en eindelijk klaar. Voor mij was het iets heel anders: een leeg blad dat toevallig rechtop stond, prachtig wit en breed genoeg om indruk te maken. Dat het zich niet in een boekentas liet steken, beschouwde ik niet als bezwaar. Ergens had ik een nagel gevonden. Geen pen, geen potlood, geen inkt, maar voor een beginnend schrijver met ambitie bleek dat detail overkomelijk. Terwijl ik op het toilet zat, begon ik aan mijn eerste monumentale werk. Ik kraste in mijn sierlijkste geschrift een naam in de verse pleister. Niet mijn eigen naam. Zo ver reikte mijn voorzichtigheid wel. Ik schreef

48 de naam van mijn broer, met de ernst van iemand die niet alleen aan literatuur dacht, maar ook aan bewijsvoering. Het leek mij een sluitend plan. Als iemand vroeg wie het gedaan had, stond het antwoord al op de muur. Ik had alleen het bewijs geleverd, netjes ondertekend door een ander. In mijn kinderlogica was dat bijna administratief correct: naam genoteerd, dader aangeduid, dossier afgerond. Dat er aan die redenering een klein maar beslissend zwak punt zat, had ik nog niet overwogen. Sommige misdaden vragen nu eenmaal niet alleen durf, maar ook kennis van de leeftijden binnen het gezin. Mijn vader ontdekte het beschadigde stucwerk sneller dan mij lief was. Een verse muur is nu eenmaal weinig vergevingsgezind, zeker wanneer er plots een kindernaam in staat die daar niet om gevraagd had. Hij was kwaad, en dat begreep ik toen maar half. Voor zover ik kon zien, had ik vooral geoefend op schrijven op een ondergrond van betere kwaliteit. Ik hield vol dat ik van niets wist. De muur wees ten slotte zelf iemand anders aan, en meer bewijsmateriaal kon een mens toch moeilijk verlangen. Alleen was mijn broer drieënhalf jaar jonger dan ik. Hij kon zijn naam nog niet schrijven. Mijn verdediging hield dus korter stand dan de pleister nodig had om te drogen. Achteraf bekeken was het mijn eerste publicatie en meteen ook mijn

49 eerste mislukte alibi: ik had bewezen dat ik kon schrijven, maar vergeten dat mijn vader kon lezen. En rekenen. Zelfs in dat kleine kattenkwaad zat al iets van wat dit hoofdstuk draagt: taal als ontdekking, als spel en als manier om jezelf zichtbaar te maken, soms precies op de muur waarop dat het minst mocht. Het nieuwe venster In diezelfde jaren kwam er iets in huis dat de woonkamer voorgoed anders liet kijken: onze eerste televisie. Het was een zwaar houten toestel, met een bolle zwart-witbeeldbuis en twee draaiknoppen die met een droge klik hun stand vonden. Het werd niet zomaar neergezet; het kreeg een plaats alsof er tegelijk een nieuw meubelstuk en een nieuw familielid was binnengebracht. Tussen stoof, tafel en stoelen ging een venster open dat niet op onze straat uitgaf, maar op prairies, bergpassen en steden die wij tot dan toe alleen van horen zeggen kenden. Niet iedereen in de straat had al zo’n toestel. Daarom werd onze woonkamer soms groter dan haar muren. ’s Avonds kwamen de buren aan het keukenraam staan om mee te kijken naar de afleveringen van Bonanza of Schipper naast Mathilde. Soms kwam iemand binnen en schoof er een stoel bij; soms bleef men buiten staan, met het gezicht half in het donker en half opgelicht door het flikkerende scherm. Televisie kijken

50 was toen nog geen privézaak, maar een klein dorpsgebeuren dat toevallig bij ons door het raam te zien was. Soms zetten we het toestel al aan vóór er ook maar één programma begon. Dan verscheen het testbeeld: een grote cirkel, fijne lijntjes, grijswaarden en een stille belofte dat er straks iets zou gebeuren. Uit de beeldbuis kwam een zacht gezoem, alsof het toestel zelf wakker werd en zich klaarmaakte voor wat er die avond langs zou komen. Wij konden daar merkwaardig lang naar kijken. Zelfs het wachten had inhoud. Pas wanneer Paula Semer verscheen en met rustige vanzelfsprekendheid vertelde wat er die avond allemaal te zien zou zijn, kwam er beweging achter het glas. Dan wisten wij: nu begon het echt. De avond kreeg een volgorde, en wij moesten klaarzitten. Veel was er op de Vlaamse televisie nog niet te bekijken, en juist daardoor telde alles wat er wél was. Bonanza bracht paarden, stof en verre vlakten tot in Hoekzele. Schipper naast Mathilde klonk zo vertrouwd dat het bijna familie werd. Echo, Tante Terry, Nonkel Bob, Kapitein Zeppos, Johan en de Alverman: elk had zijn uur, zijn toon en zijn vaste plaats in de week. Armand Pien zette met zijn weerbericht de avond op orde, alsof hij niet alleen wolken voorspelde, maar ook besliste

51 hoe de dag mocht eindigen. En één keer per jaar schoof alles opzij voor de Ronde van Frankrijk. Tijdens de Tour de France veranderde onze woonkamer in een kleine bergetappe. Buiten lag Hoekzele gewoon in de vlakke zandstreek, maar binnen werden Alpen en Pyreneeën over de beeldbuis getrokken. Er kwam ruis uit het toestel, iemand schoof dichterbij, een stoel kraakte, en dan verscheen ook hij: een oom van mijn vader, trouwe bezoeker zodra de koers begon. Hij kwam niet zomaar binnen. Hij nam zijn plaats in alsof de Tourdirectie hem persoonlijk had opgeroepen om orde te scheppen in het peloton. Eerst haalde hij zijn kauwtabak uit zijn mond, legde die met plechtige zorg in zijn tabaksdoos en zette zich dan klaar: licht voorover, handen op de knieën, alsof hij elk ogenblik zelf moest demarreren. Zwijgend kijken was aan hem niet besteed. Terwijl de renners als grijze schimmen uit mist en haarspeldbochten opdoken, stuurde hij mee vanuit zijn stoel. Hij zuchtte, mopperde, gaf raad die niemand in Frankrijk kon horen en zag feilloos wie te vroeg demarreerde, wie zich verstopte in het wiel, wie geen benen had en wie dringend naar zijn ploegleider moest luisteren. Die ploegleider zat, zonder enige twijfel, bij ons in de woonkamer.

52 Het mooiste spektakel speelde zich niet eens op de cols af, maar in zijn mond. De namen van de renners kwamen daar zelden heelhuids over de finish. Poulidor werd Polidor, Van Looy werd Valeui, Anquetil werd Anketiel en Bahamontes, de adelaar van Toledo, moest het stellen met Baldimonti. Wij zaten te wachten op elke nieuwe naam, zoals anderen wachtten op een demarrage. Zodra Fred op televisie een renner noemde, hielden wij bijna onze adem in: hoe zou hij deze keer bij ons uit de bocht komen? Naast Fred, de echte commentator op televisie, vormde de oom van mijn vader het perfecte tegengewicht. Dat hij dezelfde familienaam droeg als Fred maakte het in mijn kinderhoofd alleen maar aannemelijker dat ook hij recht van spreken had. Er was Fred die de officiële uitleg gaf, met de stem van de BRT, keurig en betrouwbaar; en er was de oom van mijn vader die de waarheid uit de woonkamer bracht: iets luider, iets koppiger, met meer gebaren, meer tabak en veel minder twijfel. Na de koers zakte de spanning langzaam uit de kamer. Hij nam de opgedroogde kauwtabak weer in de mond, alsof ook die haar rustpauze had gehad en nu opnieuw aan het werk moest. Stoelen schoven terug; er werd nog nagepraat over wie goed had gereden en wie volgens onze huiscommentator hopeloos verkeerd bezig was geweest. Daarna begon het volgende wachten: op de extra editie van Het Volk. Die

53 Tourkrantjes waren in die jaren een gebeurtenis op zich. De rit werd snel samengevat, de helden en pechvogels kregen hun plaats, en bij het stripverhaal van Thomas Pips bogen kinderen en volwassenen zich over het papier om de verborgen muisjes te zoeken. Er werd gewezen, gemompeld en opnieuw gekeken. Wie het muisje eerst vond, had voor even zijn eigen gele trui verdiend. Eerst de koers op het scherm, dan het commentaar uit de stoel, daarna de krant op tafel. Zo reed de Ronde van Frankrijk niet alleen over verre cols en mistige haarspeldbochten, maar ook door onze woonkamer: tussen kauwtabak, zwart-witbeelden, krakende stoelen, grote woorden en kinderogen die sneller dan iedereen dat kleine muisje wilden vinden. Die beelden van Alpen en Pyreneeën lieten ons niet los zodra het toestel zweeg. Buiten begonnen wij aan onze eigen Ronde. We bouwden een berg van zand, hoog genoeg om in onze verbeelding een col te worden, en trokken er met een lepel een kronkelende afdaling in. Elke speler had zijn kleur knikkers: kleine renners van glas die naar beneden moesten razen zonder uit de bocht te vliegen. Wij hingen er met onze neuzen boven alsof onderaan een echte gele trui lag te wachten. Het spel eindigde toen een stortbui onze Alpen in enkele minuten tot pap herleidde. Wij stonden erbij, nat en verontwaardigd, alsof de natuur zelf de koers had stilgelegd.

54 Dat eerste toestel bracht een nieuw soort samenzijn in huis. Het gaf beelden aan woorden die wij alleen uit verhalen kenden en maakte van de woonkamer een kleine uitkijkpost op de wereld. Maar zodra het scherm doofde, nam buiten het weer het over: de weg naar school, vrienden met boekentassen, kleine twisten, modder aan schoenen en geroep dat niet uit een beeldbuis kwam. Wat binnen als verre wereld flikkerde, kreeg buiten meteen een eigen tegenhanger: wij wilden zelf bewegen, zoeken, bouwen en ontdekken. Vrienden en schoolspullen Elke ochtend volgde ik weer de gebruikelijke route naar school. Daar vond ik houvast bij drie vrienden: Rik, Bert en Koen, de zoon van de hoofdonderwijzer. Bert was een jaartje ouder en droeg dat verschil met vanzelfsprekende waardigheid, alsof één schooljaar extra hem toegang gaf tot de geheime gebruiksaanwijzing van het leven. Onze vriendschap was niet luidruchtig. Ze bestond uit samen vertrekken, wachten aan een hoek, naast elkaar lopen, een duw met de schouder, een kleine plagerij en soms een ruzietje dat belangrijk leek zolang het duurde. Voor een bedeesde jongen was dat genoeg: naast iemand lopen maakte de weg korter en de schoolpoort minder hoog.

55 Ik ging te voet naar school met een lederen boekentas in de hand. Die boekentas was geen accessoire, maar bijna een onderdeel van je waardigheid. Ze hing zwaar aan je arm, rook naar leer, papier en boterhammen, en gaf bij het neerzetten een doffe plof, alsof zij zelf ook vond dat er gewerkt moest worden. In mijn plastic pennenzak — toen nog iets moderns — zaten pen en potlood klaar als kleine werktuigen van de schooldag. Alles had zijn plaats, al hield die orde nooit lang stand zodra een potloodpunt brak of een boterham zich te nadrukkelijk met de schriften begon te bemoeien. Wanneer ik de klep opende, kwam er een kleine huishouding tevoorschijn: schriften met ezelsoren, een gom die al zijn beste jaren achter zich had, potloodslijpsel, een verdwaalde kruimel en de stille verwachting dat alles die dag netjes zou verlopen. Die verwachting was moedig, maar zelden realistisch. Een boekentas van een jongen was geen ordelijke kast; het was een reizend bewijs dat school, speelplaats en boterhammen elkaar dagelijks probeerden te verdragen. Met Bert kon zo’n boekentas zelfs een kwestie van status worden. Was de ene wel echt van leer en de andere misschien niet? Voor volwassenen klinkt dat onnozel, maar voor kinderen kon het gewicht van de wereld plots aan een boekentas hangen. Echt leer betekende iets. Het was steviger,

56 ernstiger, bijna volwassener. Alsof je, met de juiste tas aan je arm, vanzelf ook iets beter voorbereid was op hoofdrekenen, schoonschrift en de rest van het bestaan. Soms liep die discussie uit op een kleine schermutseling, waarbij het bewijs van kwaliteit letterlijk om de oren vloog. Dan kregen we elkaars boekentas op het hoofd, niet hard genoeg om vijanden te worden, maar wel overtuigend genoeg om het debat kracht bij te zetten. Lang duurde dat nooit. Even later stapten we opnieuw naast elkaar, elk met dezelfde tas, dezelfde weg en dezelfde koppige zekerheid dat de ander het toch niet helemaal begrepen had. In de klas kregen die voorwerpen een ernstiger leven. We schreven nog met inkt uit de inktpot in de lessenaar. Alleen al het openen van het dekseltje had iets plechtigs, alsof men een klein schoolaltaar onthulde. De metalen pennetjes krasten, sputterden en aarzelden precies op het moment dat je dacht een mooie letter te zullen maken. Eén verkeerde beweging volstond voor een blauwe vlek die zich groter gedroeg dan haar oorzaak. Dan kwam het vloeipapier tevoorschijn, niet als redding, maar als stille getuige van de ramp. Vooraan stond de grote potloodscherper. Wie daaraan mocht draaien, voelde zich even verantwoordelijk voor de scherpte van de hele klas. Inkt, hout, papier, schuivende banken en krassende pennen

57 vormden samen het ritme van leren: streng, traag en heerlijk tastbaar. Buiten gold niets van dat alles. Daar waren geen lijnen op papier, geen vloeipapier om de schade te beperken en geen meester die de scherpte van een potlood controleerde. Daar golden modder, stenen, water en vuile knieën. Spelen in aarde en steen Buiten vroeg niemand of de marge wel netjes was. Spelen was vrijheid in haar eenvoudigste vorm: modder aan de handen, water in een gracht, veldstenen in de aarde, een stok, een draadje, een fiets. Wat binnen in een schrift moest passen, mocht buiten alle kanten uit. Ik wilde metser worden, al speelde mijn metserij zich voorlopig vooral op de grond af. Met modder aan mijn handen en mijn knieën diep in de aarde mengde ik water en zand tot een papje dat volgens mij alle kwaliteiten van echte mortel bezat. Daarna stapelde ik veldstenen op elkaar, zo goed en zo kwaad als het ging, en keek ernstig toe hoe mijn bouwwerken deden alsof ze standvastig waren. In de familie noemden ze mij de zittende metser. Helemaal ongelijk hadden ze niet. Ik bouwde graag, met volle overtuiging zelfs, maar rechtstaan leek

58 mij voor dat beroep blijkbaar een overschat onderdeel van de opleiding. Met diezelfde veldstenen bouwde ik ook een Mariagrot, een klein heiligdom dat perfect paste in de tijdsgeest van toen. Wat elders misschien afval of lastig graafsel heette, werd in mijn handen bouwmateriaal met een roeping. Later begreep ik dat het waarschijnlijk stukken plaatselijke zandsteen waren, door de aarde zelf verhard en bij het graven uit de zandgrond naar boven gekomen. Voor mij waren het geen stenen met een geologische verklaring, maar geschenken van de grond van Hoekzele. Alsof de aarde zelf had beslist dat een jongen die niet graag rechtstond, dan toch maar materiaal moest krijgen om iets hogerop te proberen. Het spel groeide van schoolplein naar aarde, van aarde naar stenen en van stenen naar plekken waar het dorp minder aangeharkt was. Wie eenmaal ondervonden had dat modder een bouwmateriaal kon zijn, wilde verder kijken dan de veilige grond rond huis en school. Daar begon De Zouter. De Zouter Lokking en ontdekking

59 We trokken vaak naar De Zouter, dat natte, lage gebied aan de rand van Hoekzele waar het dorp zijn nette vorm begon te verliezen. Voor ons bestonden daar de Grote en de Kleine Zouter, namen die geen bord nodig hadden, omdat ze in onze voeten zaten. De Zouterdreef voerde ons weg van huizen, schoolregels en aangeharkte tuinen, naar weiden, zandgrond, beekjes en ruimte waarin niemand precies zei wat mocht. Achter de velden lag een donker sparrenbos. In de Kleine Zouter hield de grond nog de flauwe bochten vast van een oude aarden wielerpiste, alsof de aarde zich herinnerde dat hier ooit snelheid, geroep en vermoeide benen waren geweest. Aan het einde van een drassige dreef lagen de Stekskes. Voor buitenstaanders was dat wellicht gewoon een plaatselijk stort, maar bij ons had zelfs rommel recht op een naam. De weg ernaartoe maakte meteen duidelijk dat zondagse schoenen daar niets te zoeken hadden: bij elke stap hield de modder je even vast, alsof De Zouter wilde nagaan of je het avontuur wel ernstig genoeg nam. Tussen gras, struiken en plassen lagen oude matrassen, stukken metaal, kapotte emmers en roestige prullen. Wat volwassenen hadden afgedankt, kreeg voor kinderen een tweede leven. Een deksel kon een schild worden, een kromme buis een werktuig en een onbekend stuk metaal vooral iets dat dringend onderzocht moest worden.

60 Niet alleen kinderen vonden hun weg naar die vergeten rand. De Stekskes boden koppeltjes een afzondering die in een dorp zeldzaam was; wie even aan het oog van buren en familie wilde ontsnappen, vond tussen riet, rommel en laag groen blijkbaar genoeg beschutting. Vogelvangers zagen er dan weer een paradijs. Tussen struiken, water en afval kwamen zij botvinken, distelvinken en sijzen vangen voor hun volière. Dezelfde plek was dus tegelijk stort, schuilplaats, jachtterrein en speelwereld. Wij zagen vooral wat nog bruikbaar leek; anderen vonden er beschutting, zang of geheimhouding. De Zouter veranderde van betekenis naargelang wie erdoorheen liep. Het zachtste geheim lag in de Kleine Zouter: een natuurlijke bron waar helder, koel water uit de aarde kwam, alsof de grond daar rustig ademhaalde. Rond de bron lag een poel die in mijn herinnering groter is dan hij ooit geweest kan zijn. Tussen waterplanten, spiegelingen en drijvende blaadjes bewoog een kleine wereld. Stekelbaarsjes schoten weg als zilveren streepjes, salamanders gleden traag en geheimzinnig door het groen, en de puitekoppen* — kikkervisjes, maar zo noemde bij ons niemand ze — dreven donker en rond door het water, allemaal onderweg naar een toekomst die wij bijna plechtig vonden.

61 Met een vergiet uit de keuken gingen we op onderzoek, alsof iemand ons tot officiële natuurvorsers had benoemd. We hielden het voorzichtig onder water, bewogen het traag tussen planten en slib en wachtten op een flits, een sparteling, een lijfje tussen mazen en licht. Soms namen we enkele puitekoppen mee in een emmertje, overtuigd dat zij bij ons thuis vanzelf zouden uitgroeien tot volwaardige kikkers, als wij maar vaak genoeg kwamen kijken. Dat ze vooral rondjes bleven zwemmen en weinig zichtbare ambitie vertoonden om poten te krijgen of de wereld kwakend tegemoet te treden, tastte ons vertrouwen nauwelijks aan. Voor ons waren het geen beestjes, maar beloften. Meestal brachten we ze terug, waarna ze in het donkere water verdwenen alsof de poel hen weer inslikte en wij alleen even in haar geheim hadden mogen kijken. Wanneer het water laag stond en de poel warmer werd, kwamen de puiten* dichterbij. Kikkers zei bij ons niemand; het waren puiten, en dat woord paste beter bij dat plompe zitten tussen kroos en gras. Ze bleven roerloos liggen, en werden alleen verraden door een plotseling plonsje of door twee ogen die net boven het water uitstaken. Wij slopen naderbij met het vergiet in de hand, overtuigd dat sluipen en snelheid samen een methode vormden. Soms wisten we er één te vangen. Dan lag hij even zwaar en glad in onze handen, met poten die alle kanten tegelijk uit wilden. Lang hielden we hem nooit vast.

62 Daarvoor was hij te levend, te springerig en misschien ook te duidelijk zichzelf. Bij de puiten gingen we soms nog verder, al zag het er toen in onze ogen vooral komisch uit. Soms bliezen we er zo één voorzichtig op, alsof wij met een klein blaasbalgje de natuur nog wat konden verbeteren. Even zat hij daar dan, dikker dan zijn waardigheid toeliet, met een blik die weinig waardering voor ons onderzoek verried. Daarna blies hij zichzelf weer uit, zakte terug in zijn gewone formaat en sprong levend en wel weg, waarschijnlijk met meer gezond verstand dan wij. Wij lachten, omdat het zo wonderlijk werkte. Nu glimlach ik nog altijd om het beeld, maar met meer ontzag voor dat taaie kleine dier dat onze jongensdom vlotter overleefde dan onze redenering. Ook daar konden volwassenen het avontuur plots kleiner maken. Wanneer de man van het land ons zag, kwam hij tevoorschijn met riek of spade in de hand en de ernst van iemand die zijn grond verdedigde alsof het een klein koninkrijk was. Voor ons was hij geen boer meer, maar een volledige cavalerie op klompen. Eerst hoorden we zijn stem, daarna zagen we het werktuig, en pas helemaal op het einde herinnerden we ons dat lopen ook een mogelijkheid was. Wij holden weg door gras en modder, met de waardigheid van jongens die zogezegd niets verkeerd deden, maar toch uitzonderlijk snel konden verdwijnen. Eén van ons keek

63 achterom, wat in zo’n situatie altijd een slecht idee is, want een riek wordt daar alleen maar langer van. Waarschijnlijk was vooral onze verbeelding in uitstekende conditie, maar wij liepen toch alsof ons leven ervan afhing — of minstens onze vergunning om ooit nog bij de bron natuuronderzoeker te spelen. Boven dat lage, natte land stonden in de verte de radio- en televisietorens van Hoekzele. Ze rezen op uit het vlakke veld als magere wachters van ijzer, hoger dan bomen, kerktorens en kinderbegrip. Hun metalen lijven leken niet helemaal bij de aarde te horen. Op heldere dagen stonden ze scherp tegen de hemel; bij nevel losten ze half op, iets tussen dorp en droom. Volwassenen zagen masten van een zendstation, nuttige staken voor golven, signalen en techniek. Wij zagen poorten: misschien werd Bonanza daar uit de lucht gehaald, misschien zakte Freds commentaar via onzichtbare draden naar beneden, misschien wachtte Paula Semer daar even tussen hemel en aarde voordat zij in onze woonkamer verscheen. Hoe minder wij begrepen, hoe zekerder wij wisten dat we dichterbij moesten. Dat het terrein verboden was, maakte de torens alleen maar hoger. Een hek is voor volwassenen een grens, maar voor kinderen vaak een vraagteken van ijzer. We slopen dichterbij

64 met de mengeling van schrik en overmoed die bij jongens bijna moed heet. Eerst praatten we nog luid, om onszelf moed in te praten; daarna klonken we zachter, en ten slotte fluisterden we alsof de masten konden luisteren. Het gras kraakte onder onze schoenen. Er tikte ergens een draad tegen metaal — of misschien maakte onze verbeelding dat geluid zelf. Elk waarschuwingsbord, elke gesloten poort, elke kabel die naar boven verdween, gaf de plek meer gewicht. Zonden de torens beelden uit? Vingen ze stemmen op uit een lucht die voor ons leeg leek? Wij wisten het niet. De televisie thuis zat veilig achter glas; hier stond het raadsel in weer en wind, en wij wilden weten hoe dicht je erbij kon komen voordat iemand onze naam riep. Schrik en nasmaak De Zouter kon de overgang van spel naar gevaar in één geluid maken. Op een keer hadden we een klein emmertje mee voor onze vangst. Terwijl we gebukt bij de beek zaten, klonk plots een harde knal. Niet de lucht, maar ons emmertje werd geraakt en sprong stuk. Wij verstijfden, met natte handen en harten die veel sneller sloegen dan bij het vangen van visjes. Een ogenblik voordien waren wij onderzoekers geweest; nu voelden wij ons vooral kleine, zichtbare doelwitten in een open landschap. De Zouter was plots geen speelterrein meer.

65 Veel later, toen in mijn buurt een zware misdaad gebeurde, kreeg die knal een donkerdere klank. Als kind wist ik daar niets van. Toen was de schutter alleen de man van het kapotte emmertje en de schrik die door het gras joeg. De latere kennis veranderde niet wat het kind had gezien, wel de kleur waarin de volwassene het zich herinnert. Het emmertje sprong stuk, de man kwam met zijn riek uit het gras, de torens bleven achter hun hek staan en zelf hielden wij een kikker langer vast dan nodig was. Toch bleven we gaan. Het vergiet uit de keuken ging elke keer mee, tot het op een dag niet meer terug te vinden was en niemand er nog naar vroeg. Daarna kwamen we er minder; het gras groeide over de flauwe bochten van de oude piste. Wat daarna volgde, speelde zich binnen af: een bank, een rij jassen aan de haak, een deur die niet tot op de grond kwam en een speelplaats die alles hoorde.

66 Hoofdstuk 3 – Waar schaamte een naam kreeg Na De Zouter schoof de tijd naar het derde leerjaar. Buiten had schrik nog modder, riet en ruimte om weg te lopen. In de klas niet. De banken stonden in rijen, het licht kwam van één kant, en op de speelplaats hing een toiletdeur een handbreedte boven de tegels. Wat buiten avontuur had geheten, werd binnen iets waarvoor een jongen dichter langs de muur begon te lopen. Een harder klaslokaal Het derde leerjaar begon in hetzelfde gebouw, maar de lucht was anders. De banken stonden nog waar ze stonden. De ramen keken uit op dezelfde speelplaats. Toch leek het lokaal kleiner. Waar mijn eerste meester rust had gebracht, stond nu een onderwijzer vooraan die wij onder elkaar met een bijnaam noemden, afgeleid van zijn familienaam. Dat deden kinderen toen vanzelf; een dorp maakte namen graag eigen. Alleen voelde deze naam minder warm aan dan sommige andere dorpsnamen. Hij hoorde bij iemand van wie je beter wist waar hij stond. Hij was duivenmelker, zoals zo velen in de dorpen toen. Misschien zat er iets van die wereld in zijn manier van kijken:

67 lang wachten, weinig prijsgeven en dan plots toeslaan. Nog vóór hij zijn stem verhief, was hij aanwezig. Je voelde hem vooraan staan, zoals je onweer voelt vóór het rommelt. Er hoefde nog niets gebeurd te zijn om toch al rechter te gaan zitten. Voor de klas was hij aandachtig, direct en moeilijk te peilen. Zijn humor kon droog zijn en echt doen lachen, maar vaak zat er een weerhaakje aan. Hij sprak geregeld dialect en kon plots luid worden. Dan verstijfde de klas niet omdat wij alles begrepen, maar omdat wij precies genoeg begrepen: niet bewegen, niet antwoorden, vooral niet opvallen. Het was een jongensschool van die tijd, ruw en rechtuit, waar strengheid gemakkelijk opvoeding werd genoemd en kinderen leerden dat stilte soms de veiligste taal was. Soms raakten zijn woorden verder dan het kind dat voor hem stond. Wanneer hij ouders of thuissituaties erbij haalde, werd de klas ineens te klein. “Je bent zoals je vader, met veel wind in je broek,” zei hij eens tegen een vriend. Misschien lachten wij, misschien zei niemand iets, omdat lachen veiliger leek dan meeleven. Daarna ging de les gewoon verder. Nu hoor ik vooral hoelang zo’n zin kon blijven hangen nadat het krijt alweer over het bord kraste.

68 Ook de meterstok hoorde bij zijn gezag. Hij lag vooraan, zichtbaar en klaar, alsof hij niet alleen centimeters maar ook gehoorzaamheid kon meten. Wie te veel babbelde of even afdwaalde, kon hem plots door de lucht zien schieten. Soms raakte hij iemand aan het hoofd. Het was maar een kort suizen, een tik, een schrikreactie, maar daarna viel er een stilte die veel langer duurde. In zo’n klas leerde je niet alleen rekenen of schrijven; je leerde ook hoe snel een lichaam kan begrijpen wat een hoofd nog niet durft te denken. Je hield je ogen op je blad en wist toch precies waar zijn blik zich bevond. Buiten de lessen Buiten de lessen bestond dat derde leerjaar ook uit gewone schooldagen: speelplaats, sneeuw, nesten, schoenen, pudding en de koppigheid waarmee een kind zichzelf overeind probeert te houden. Maar eerst kwam het voorval dat de toon van dat jaar het scherpst bepaalde. Pas daarna kreeg buiten opnieuw lucht. De volgorde doet ertoe: wie eenmaal schaamte heeft gevoeld, loopt anders door dezelfde speelplaats, ook wanneer de anderen allang weer lachen. De deur die te kort was In dat derde leerjaar gebeurde er iets wat mij langer is bijgebleven dan schoenen of pudding. Op een ochtend stond

69 ik op met buikkrampen, maar toch ging ik naar school. Kinderen bleven toen niet voor elke kramp thuis. Tijdens de speeltijd bleek dat een riskante redenering. Ik haalde het toilet nog net, maar te laat. In één ogenblik wist ik dat er iets was gebeurd wat ik niet meer kon herstellen en nauwelijks kon verbergen. Het ergste waren niet alleen de buikkrampen of het ongeluk zelf, maar de architectuur van de vernedering. De toiletdeuren reikten niet tot op de grond. Voor volwassenen was dat wellicht praktisch: toezicht, lucht, orde. Voor een kind met vuile kleren was het een bijzonder slecht doordacht bouwkundig project. Een deur hoort een mens te beschermen; deze begon pas waar mijn probleem ophield. Vanaf de speelplaats konden anderen zien wat er gebeurd was. Bovenaan bood ze nog iets van beschaving. Onderaan hield ze blijkbaar op met discretie. Ik bleef lang binnen. Naar buiten gaan leek onmogelijk, blijven zitten evenmin. Ik hoorde stemmen, voetstappen en geroep op de speelplaats. Elk geluid kwam dichterbij. Schaamte brandde in mijn gezicht, samen met het besef dat anderen straks iets over mij zouden weten wat ik zelf het liefst uit de wereld wilde wissen. Daar, achter die te korte deur, werd ik precies wat ik altijd had proberen vermijden: zichtbaar. Het

70 leverde mij een tijdlang een pijnlijke bijnaam op. Telkens wanneer die naam viel, kwam dezelfde hitte terug, hetzelfde verlangen om even niet te bestaan. Voor volwassenen was het misschien een ongelukje dat voorbijging. Voor mij kreeg schaamte voor het eerst een klank, een deur en een kier. Het leek alsof iedereen naar binnen keek. Juist daarom bleef dit kleine voorval groter dan zijn aanleiding: niet omdat het uitzonderlijk was, maar omdat het mij leerde hoelang één blik kan blijven. Toch bleef zelfs daar iets kinderlijk koppigs overeind: terwijl ik mij doodschaamde, vroeg een klein deel van mij zich af of niemand eindelijk eens degelijke deuren tot op de grond kon maken. Daarna zocht ik uitvluchten om niet naar school te hoeven: een grote hond, buikpijn, een vreemde man onderweg. Ik zei niet: ik ben bang om opnieuw bekeken te worden. Ik zei iets over een hond. Dat was eenvoudiger, en misschien geloofde ik het soms zelf. Op een ochtend, na ijzel, bracht mijn moeder mij zelf naar school terug. Aan de school gleed ze uit en viel achterover. Ik zie haar nog rechtkrabbelen, bloedend en geschrokken, terwijl ik erbij stond met een schuldgevoel dat veel groter was dan ik kon dragen. Vanaf die dag hielden mijn uitvluchten op. Niet omdat de schaamte verdwenen was, maar

71 omdat haar val zwaarder woog dan mijn angst. Zo kwam er een vreemde ruil tot stand: ik ging weer naar school, maar nam iets mee dat geen boekentas kon dragen. Buiten, waar niemand keek Na die dagen kreeg buiten opnieuw betekenis, al was het niet meer helemaal hetzelfde buiten als vroeger. Op aangestampte sneeuw en ijs maakten wij lange glijbanen — slieren*, zeiden wij — en hoe verder je gleed, hoe groter de roem. Wanneer er sneeuw lag, zetten we een rooster op met brood eronder; zonder sneeuw gebruikten we een mussenkip*, een kleine houten val met kruimels als lokaas. Vandaag klinkt dat wreed, maar toen hoorde het bij buiten spelen: koude vingers, rode wangen, natte schoenen en een hoofd vol sneeuwlicht. Buiten gaf niets uitleg, en juist daarin lag de verlossing: de wereld vroeg niet wat er achter de toiletdeur was gebeurd, maar liet ons opnieuw glijden, vallen, lachen en verder lopen. In de zomer zochten we vogelnesten. We kropen onder hagen, tuurden in knotwilgen en voelden tussen takken tot ergens een nestje opdook. Soms namen we papzakken mee naar huis: kale, warme hoopjes leven met te grote bekjes en gesloten oogjes. Thuis probeerden we ze groot te brengen met geweekt brood en konijnenkorrels, overtuigd dat goede

72 bedoelingen volstonden. Meestal lukte het niet. Wij wisten niet beter. Buiten bleef de wereld ruimer en eenvoudiger: mikken, lopen, durven, verliezen en de volgende dag opnieuw beginnen. Schoenen en koppigheid In diezelfde lagere schooltijd gebeurde iets waarover thuis nog lang is nagepraat. Ik moet zowat acht geweest zijn toen ik met mijn moeder naar de schoenwinkel ging. De schoenmaker haalde doos na doos boven: bruine schoenen, zwarte schoenen, veters, gespen. De winkel rook naar leer, lijm en hoopvolle volwassenen. Ik rook vooral gevaar: nieuwe schoenen die al besloten hadden mijn voeten te knellen. Na de schaamte van school was zelfs passen een vorm van bekeken worden: voeten vooruit, oordeel erboven en volwassenen die met ernstige gezichten deden alsof maat, leest en fatsoen belangrijker waren dan mijn tenen. Thuis zei mijn moeder alleen: “Je weet toch dat je op je kousen naar school moet?” Meer niet. Op school wilde ik soms verdwijnen; thuis kon ik tenminste nog weigeren zonder iets te zeggen. Misschien was die koppigheid al een kleine vorm van zelfverdediging. Die koppigheid had niet altijd schoenen nodig. Soms volstond een kom vanillepudding met rozijnen. Mijn moeder

73 vond dat er aan tafel gegeten werd; ik vond dat een mens zijn pudding ook elders moest kunnen nuttigen. Dus ging ik naar buiten en bleef waardig tegen de vensterbank staan. Binnen was het warm en rook het naar vanille. Toen kwam mijn vader naar buiten en zei rustig dat de kom leeg was. Ik had mijn standpunt verdedigd tot de laatste lepel, maar iemand anders had die laatste lepel genomen. Schaamte heeft geen groot drama nodig: een deur die een handbreedte te vroeg ophoudt, volstaat. Daarna gaat alles gewoon verder — een glijbaan van aangestampte sneeuw, een doos met nieuwe schoenen, een lege kom op de vensterbank. Alleen loop je voortaan iets dichter langs de muur, en kijk je bij elke deur eerst waar ze eindigt. Thuis werd intussen de radio zachter gezet. Vader kwam op een namiddag binnen met de kalk nog op zijn broek, ging in de voorkamer zitten en zei niets over de werf. Aan tafel ging de schotel rond zoals altijd; alleen werd er minder gevraagd. Daarmee schoof de schaamte van school ongemerkt over in een andere stilte: niet meer die van een jongen achter een te korte deur, maar die van een huis dat zijn adem begon in te houden.

74 Hoofdstuk 4 – Toen het huis veranderde Na de schaamte op school kwam thuis geen duidelijke breuk, maar een verschuiving in klank. Buiten ging het dorp verder met paarden, beken, smidsvuur en verboden dreven. Binnen bleef de stoel in de voorkamer bezet op uren dat de werf nog bezig was. Ik zocht lucht waar alles nog bewoog, terwijl mijn vader langzaam zijn vanzelfsprekende plaats in huis verloor. Een huis dat anders begon te klinken Rond mijn negende veranderde het huis, niet ineens maar in kleine signalen. Stemmen zakten. Moeder sneed het brood terwijl ze naar de voorkamer luisterde. Soms was mijn vader thuis terwijl hij op de werf hoorde te zijn. Hij was moe en trok zich terug; niemand wist precies waarom. Als kind voelde ik vooral dat de kamers anders op ons reageerden. Daarom trok ik vaker naar buiten, naar wegen, beken en boerderijen waar de dag nog herkenbaar voortging. Naarmate we ouder werden, waagden we ons verder van huis om visjes te vangen. Bij Schuurlo, aan een dammetje onder de autoweg, vonden we traag water waarin kleine schimmen rondschoten. Het rook er naar nat gras en stilstaand water; insecten zoemden boven de gracht. Onze uitrusting

75 stelde weinig voor: een stok, een draadje, een regenworm en een dobber van kurk en lucifer. Maar voor ons volstond dat. We wachtten tot de dobber bewoog, en zolang wij keken, werd de wereld weer wat groter. Ook op het boerderijtje van de grootouders van Rik vond ik rust. In de vakanties mocht ik mee met zijn grootvader, de boer, op paard en kar om bieten en hooi op te halen. Hij zei weinig. Dat hoefde ook niet. Het stappen van het paard, het knarsen van de wielen, het kraken van tuig en de droge geur van hooi deden mij goed. Daar hoefde niets bewezen te worden. Je zat mee op de kar en liet de dag zijn gang gaan. Op zulke wegen bewoog het boerenleven traag voorbij: karren met bieten, hooi dat boven de zijplanken uitstak, mannen die even rechtkwamen om hun rug te strekken. Er werd geroepen naar een paard, een hek viel dicht, een ketting rinkelde. In de lage lucht hing de geur van mest, vochtige aarde en werk dat nooit klaar was. Buiten reed de dag verder op hoeven, wielen en handen; thuis begon iets stil te vallen. Waar een paard passeerde, bleef ook iets achter. Paardendrollen waren geen vuilnis, maar mest — en dus bruikbaar. Voor ons kinderen was dat tegelijk grappig en vanzelfsprekend: wat op straat viel, kon even later in een

76 moestuin verdwijnen. Zo liep het platteland in kringetjes die niemand hoefde uit te leggen. Bij die paardenwereld hoort in mijn herinnering ook de hoefsmid, al lopen zulke beelden niet altijd keurig na elkaar. Wanneer wij erbij stonden, deden we dat met de handen in de zakken en net genoeg afstand om dapper te lijken. In de smidse zuchtte de blaasbalg, knetterde het vuur en sloeg de hamer scherp op het aambeeld. Het paard verplaatste zijn gewicht; tuig kraakte, een ketting rinkelde. Zodra het hete ijzer de hoef raakte, begon het fel te sissen. Er steeg damp op die rook naar paard, vuur, aarde en gebrande hoorn. Wij stonden stil, half bang, half betoverd. Alles leek gevaarlijk en toch in goede handen. Ook de smid noemden wij, zoals dat in een dorp ging, bij een bijnaam die met zijn familienaam verbonden was. In die ijzerklank en rook hoor ik nog een wereld die leefde van paarden, handen en geduld. Buiten bestond een orde die thuis ontbrak: vuur, werk, dieren en handen die wisten wat ze deden. Daar kon ik ademen zonder te hoeven begrijpen wat er met vader gebeurde. Later, toen de fiets ons verder bracht dan de vertrouwde wegen, schoof ook een andere wereld in beeld. Schuurlo, het bos rond de vijver, Hoogveld en andere kasteeldomeinen lagen achter bomen, hekken, oprijlanen en donkere waters. Thuis

77 wisten ze daar niets van. Precies daardoor kreeg elke verkenning meer gewicht. We vertrokken zogezegd om wat rond te fietsen, maar in werkelijkheid begonnen we aan een expeditie zonder toestemming en zonder degelijk plan. We reden met stillere stemmen door de dreven waar het licht dunner werd. Banden knarsten over zand, takken tikten tegen onze sturen en aan een hek stapten we af, alsof dat vanzelf bij verboden terrein hoorde. Achter het hek liep een oprijlaan tussen bomen die veel te recht stonden om gewone bomen te zijn. Daar moest iets liggen: een kasteel, een vijver, een geheim, misschien zelfs een deftige meneer met een hond die speciaal jongens op fietsen herkende. In het Hooggoed hoorde voor ons ook de boswachter thuis. Of ik hem werkelijk vaak heb gezien, weet ik niet meer. Misschien heb ik hem meer gehoord dan gezien: een tak die kraakte, een hond die ergens aansloeg, zware stappen op een dreef waar wij eigenlijk niet moesten zijn. Het bos rook naar hars, nat zand en rottende bladeren. Onze fietsen lagen soms haastig tegen een boom, terwijl wij fluisterend verdergingen tussen de stammen, met dennennaalden aan onze kousen en modder aan onze schoenen. In zo’n bos had een kind weinig nodig om zich bekeken te voelen. Achter elke bocht kon iemand staan met laarzen, een jas die naar regen rook en een

78 blik die meteen wist dat wij geen vergunning hadden voor ons avontuur. Misschien was de boswachter daarom minder een fysieke persoon dan een abstracte aanwezigheid: het idee dat het bos plots een stem kreeg en onze namen kende. In de bossen werd niet alleen gespeeld, gejaagd of hout gehaald. In het najaar raapten mensen wat de bomen lieten vallen: eikels, beukennootjes en dennenappels, die wij sperrekatten* noemden. Dat mocht niet zomaar; je had er de toelating van de boswachter voor nodig. Voor kinderen was dat zoeken, bukken, zakken vullen en telkens weer denken dat er achter de volgende boom nog betere lagen. Voor volwassenen bleef er weinig over als het nog bruikbaar was. Eikels gingen naar dieren, beukennootjes hadden hun kleine rijkdom en sperrekatten verdwenen in zakken, manden of emmers, alsof ook het bos zijn bijdrage aan de winter moest leveren. Zo bestond een bos niet alleen uit bomen, maar uit alles wat je er met koude vingers, scherpe ogen en een beetje geduld uit mocht meenemen. Soms slopen we nog een eindje verder: niet ver genoeg om echt dapper te zijn, maar wel ver genoeg om thuis niets te vertellen. Een raam glansde tussen de takken, een blad viel, een haas schoot weg. We fluisterden over boswachters, rentmeesters en eigenaars die ons misschien allang hadden

79 gezien. Niets gebeurde. Juist dat maakte het erger: een kind moet dan zelf beslissen hoe bang het is. Meestal keerden we terug met modder aan onze schoenen, dennennaalden aan onze sokken en de trotse wetenschap dat wij ergens waren geweest waar wij waarschijnlijk niet mochten zijn. Voor volwassenen waren het domeinen en eigendom. Voor ons waren het grenzen van de kaart: gevaarlijk mooi, juist omdat ze een geheim beloofden dat wij nooit helemaal mochten kennen. Hoe ver wij ook fietsten, achter onze deur stond de stoel in de voorkamer nog op dezelfde plaats. Het huis herschikte zich om vader heen. De ziekte krijgt een naam Wanneer ik binnenkwam, was vader vaker moe, stil en thuis. Soms had men hem van de werf teruggestuurd omdat hij zich niet goed voelde. De huisdokter kwam, luisterde en onderzocht, maar bracht geen duidelijke verklaring. Voor ons kinderen was vooral dit vreemd: vader was thuis, maar niet zoals op een vrije dag. Er volgden onderzoeken en ziekenhuisopnames, eerst dichter bij huis en later in het UZ in Gent. Pas veel later kreeg

80 zijn ziekte een naam: een hypofyseadenoom*, een gezwel aan een kleine hormoonklier diep in het hoofd. Dat woord zou ons toen niets hebben gezegd. Wij zagen moeder op bezoek gaan en zagen haar thuis de dagen doorbrengen. Wij pasten ons aan zonder te weten waaraan. Hoe legde je zoiets uit aan kinderen? Misschien probeerde men dat in die tijd ook minder. Met aangepaste medicatie ging het geleidelijk beter. Toch sprak vader minder uit zichzelf en bewoog hij voorzichtiger door het huis. Zomaar naar buiten ging hij niet graag meer. Zijn ziekte had geen verband, geen krukken en geen zichtbaar litteken. Eén beeld bleef. Vader stond bij het raam van de voorkamer, zijn handen op de rug, zijn schouders licht gebogen. Achter hem lag de kamer stil; voor hem ging de straat voorbij met fietsen, stemmen en buren. Kwam er een bekende langs, dan deed hij soms een halve stap achteruit, net genoeg om achter het gordijn te verdwijnen. Als kind zag ik een vader aan het raam. Nu zie ik een man die tegelijk naar buiten keek en zich verborg. Misschien was hij niet alleen ziek, maar ook neerslachtig. Dat woord viel niet aan onze keukentafel. Men zei dat iemand stil was, zenuwen had, niet goed was. Zo bleef

81 ook zijn zwijgen naamloos, en voor ons kinderen moeilijk te begrijpen. Zijn ziekte verdween niet. Er bleven dagen komen waarop de hoofdpijn hem naar binnen dwong en waarop de stilte opnieuw zwaarder door het huis trok. Maar met de jaren kwam er ook iets van beweging terug. Niet als genezing, niet als groot herstel, eerder als een voorzichtige verschuiving in de goede richting. Hij bleef langer aan het raam staan zonder meteen achteruit te stappen, durfde soms weer tot aan het hek te komen en maakte daar af en toe een praatje met iemand die voorbijkwam. Later zou dat opnieuw durven buitenkomen een eigen vorm krijgen, met vleugels, hokken en mannen die voor de duiven kwamen en gaandeweg vrienden werden. Toch bleef hij op gewone manieren mijn vader. Hij wist waar de riek stond, hoe diep bonen moesten zitten en wanneer een kind beter niet met zondagse schoenen door pas geharkte aarde liep. In de tuin lette ik dus goed op mijn voeten. Wie tussen bonen en aardappelen schade aanrichtte, hield weinig verdediging over. Zijn jas bleef ’s morgens aan de haak hangen, en het huis richtte zich daarnaar. Moeder zorgde voort, mijn zus werd ernstiger, mijn broer bleef dichter bij het spel en ik keek. Er

82 stond iets zwaars in huis, maar niemand wist precies waar; wij leerden eromheen te lopen. Aan het raam en in de moestuin Misschien kreeg de moestuin daarom zoveel betekenis. In de voorkamer bleef hangen wat niet gezegd werd; buiten sprak vader met zijn handen. Met de riek in de aarde en de mouwen opgerold wist hij weer wat er moest gebeuren. De grond vroeg geen uitleg, alleen aandacht. Op een keer riep hij mij erbij en toonde hoe je een plant uitzet: niet te diep, niet te ondiep, de aarde stevig rond de wortels. Later heb ik het honderden keren zo gedaan. In de tuin kon hij nog zorgen en iets zien groeien. Ik herinner mij de ziekte, maar sterker nog de man erachter: teruggetrokken en toch aanwezig. Iedereen schuift van plaats Intussen ging moeder werken, eerst bij mensen thuis in de stad, later in een rusthuis, waar ze tot haar pensioen bleef. Buitenshuis hield ze de dagen vol met dezelfde rustige kracht waarmee ze thuis alles bijeenhield. Het ritme veranderde. Toch bleef het ons huis, en ik wachtte op het uur waarop iedereen weer binnenkwam.

83 Mijn zus schoof ongemerkt naar een plaats die niet bij haar leeftijd paste. Ze was elf en zette water op, dekte de tafel, hield mijn broer bezig en wist waar alles lag. Toen leek dat de gewone gang van thuis. Later begreep ik hoeveel zij al droeg. Mijn broer zocht zijn plaats in het spel. Achter het huis bouwden we een hut van planken die na twee dagen instortte. Hij werd niet kwaad, maar begon opnieuw. Daar zat al iets in van de man die hij later zou worden. Die nieuwsgierigheid en koppigheid bleven. Hij werd bouwkundig ingenieur, nam een bouwbedrijf over en wilde niet alleen beslissen, maar begrijpen wat er op de werf gebeurde. Ook na latere tegenslag krabbelde hij weer recht: dezelfde beweging als bij die ingestorte hut. Mijn zus wist op haar elfde waar de lucifers lagen en hoeveel water er op de aardappelen moest. Niemand zei dat er iets veranderd was, en toch schoof iedereen een handbreedte op. In zo’n huis houdt een kind het binnen niet lang uit. Buiten wachtten een oven vol brood, een winkelbel, een tent over de duinen en een busje dat twee keer per week aan het hek stopte.

84 Hoofdstuk 5 – Brood, stemmen, zee en melkwagen Het gehucht bij de molen Uit die ingehouden stilte groeide de behoefte aan een andere lucht. Buiten Hoekzele kwam een tweede wereld dichterbij: het gehucht bij de molen. Eerst waren het losse bezoeken aan mijn tante en nonkel; later werden het echte vakantiedagen. Daar viel het huis nooit stil. Tegenover ons voorzichtiger geworden thuis stond een tegenwereld van ovenwarmte, winkelbel, caféstemmen, kinderen en vanzelfsprekend lawaai. Dat rumoer deed meer dan verstrooien: het zette de ramen open na de stilte van thuis en liet zien dat een huis ook gul, beweeglijk en luidruchtig kon zijn. Er was altijd brood in de winkel. Gewone broden, grote broden, kleine broden: ze stonden ernstig naast elkaar, alsof elk zijn bestemming kende. In het weekend kwamen er taartjes, koeken en krentenbrood bij. Dan trok er een geur door het huis van warme korst en boter, met suiker en rozijnen eronder. Het leek alsof de oven het evangelie van de honger verkondigde. Zelfbeheersing was aan mij niet besteed. Een bakkerij is feitelijk geen winkel, maar een hinderlaag met bloem op de vloer. In die geur zat al wat dit hoofdstuk zou dragen:

85 eten, stemmen, beweging en de geruststelling dat het leven elders luider en gulziger kon zijn. Voor mij was dat huis tegelijk familie en werkplaats, winkel en café, en het beginpunt van elk avontuur. In het winkeltje van mijn tante stonden rekken met koffie, suiker en zeep, en met de kleine dingen die een huishouden altijd net nodig had. Achter de toonbank werd verkocht en gewogen, gerekend en gepraat, vaak allemaal tegelijk. De winkelbel kondigde niet alleen klanten aan. Ze bracht ook nieuws mee, roddels en de vragen van elke dag. Huis en winkel liepen in elkaar over; je wist nooit goed of iemand kwam kopen, praten of zomaar even binnenwaaien. Juist daardoor werd het geen uitstap meer, maar een tweede thuis: een plek waar warmte niet stil hoefde te zijn. In dat huis woonde ook de inwonende grootvader: bakker en amateurkapper. Zodra ik binnenkwam, keek hij niet eerst naar mijn gezicht, maar naar mijn haar, alsof daar het echte werk lag. De tondeuse hoorde bij het huis, net als de oven, de winkelbel en de toog. Logeren begon vaak met een kleine ceremonie: tussen broodlucht, caféstemmen en bloem op de vloer zat ik onder zijn handen, terwijl hij vond dat mijn haar dringend korter moest. Tegen de tijd dat hij klaar was, voelde mijn hoofd altijd wat lichter, al kwam dat vermoedelijk niet alleen door de vakantie.

86 Zijn eigen kleinzoon was een echte kwajongen. Zijn streken hoorden bij de vakantie: een kaartje met “ezel” aan zijn gilet, aardappelen die aanbrandden, een plastic serre die tijdens het voetballen aan flarden ging. In dat huis hoorde kattenkwaad bijna bij de inventaris, tussen broodmanden, bloemscheppen en stemmen die zelden lang stilvielen. Juist dat lawaai deed mij goed: thuis werd de radio zachter gezet, hier hoefde niemand zich in te houden. Bij dat huis hoorde ook de boltent, genoemd naar het krulbollen. Mannen keken met grote ernst naar de traag rollende houten bollen, wezen ernaar, zuchtten en legden achteraf uit waarom iets net was misgelopen. Eén keer dacht ik behulpzaam te zijn door zo’n bol terug te brengen. Meteen klonk er geroep, alsof ik niet een bol, maar de toekomst van de club had verplaatst. Pas toen begreep ik dat een krulbol pas mocht bewegen nadat iedereen er lang genoeg over had nagedacht. Ook de piscine in de boltent vroeg moed. Door jarenlang gebruik had ze zoveel kalk afgezet dat ze minder op een urinoir leek dan op een kleine grot. In ons dialect noemden wij dat ding het zwalmnest* — zwalm* was ons woord voor zwaluw. Zelfs een zwaluw zou daar vermoedelijk rechtsomkeer hebben gemaakt.

87 Buiten stond de molen: wieken, stenen, wind en geschiedenis in één vertrouwd silhouet. Samen met mijn neef en mijn jongere nicht zwierven we rond de molenwal, tussen gras, hout, rommelhoekjes en schaduw. Daar veranderde broodlucht vanzelf in kattenkwaad. Juist omdat we niet zeker wisten of we daar mochten komen, werd de molenwal onweerstaanbaar. Later leerde ik dat de molen in de volksmond ook naar de molenaarsfamilie werd genoemd. Bij die naam hoorde Toat, een strenge molenaar die ons wegjoeg zodra wij te dicht bij zijn wal kwamen. Dan vluchtten wij weg tot de kust veilig leek — om daarna, volkomen onverbeterlijk, opnieuw dichterbij te sluipen. Vanuit dat tweede thuis trok de wereld open in één beweging: eerst langs de broodronde, dan naar de zee, en later met de melkwagen nog verder dan wij vanzelf zouden zijn geraakt. Telkens ging het om hetzelfde: iemand opende een deur, een auto of een hek, en even werd mijn kleine kaart groter. De broodronde Mijn nonkel deed van maandag tot zaterdag zijn broodronde, soms door het gehucht bij de molen en de omliggende wegen, soms richting Hoekzele. Hij reed met een

88 VW Kever: eerst lichtblauw, later felrood. De achterzetels waren eruit gehaald en vervangen door een houten bak vol broden. Voor ons was dat geen gewone auto, maar een rijdende bakkerij die naar korst, kruim en avontuur rook. Wie instapte, zat tussen de broden alsof hij zelf ook nog ergens geleverd moest worden. Wanneer ik bij hen logeerde, mocht ik soms samen met mijn neef meerijden. Dat voelde niet als werk, maar als een uitstap, met de geur van vers brood in de wagen, stof op de wegen en overal mensen die mijn nonkel kenden. Hij leverde ook brood in cafés, en daar zat het echte gevaar: niet dat van het verkeer, maar dat van een goed gesprek. Op dagen dat we naar zee wilden, werd dat gevaarlijk voor het uurrooster. Terwijl mijn nonkel in een café nog praatte over koers of voetbal, sloegen mijn neef en ik uit verveling op elkaars billen tot ze rood en blauw zagen. Plots kwam hij gehaast naar buiten, alsof hij in één sprong alle verloren tijd wilde inhalen. Dan wisten we: eerst alle broden op hun plaats, daarna pas de zee. Wanneer er zeeplannen waren, werd de broodronde herverdeeld. Mijn nonkel nam de gewone stukken met de Kever; de inwonende grootvader kreeg de lastigste wegels, grintwegen en putten. Aan weerszijden van zijn brommer

89 hingen grote broodzakken. Daardoor zag hij eruit als een bakker die zijn toonbank op twee wielen had gezet. Eén keer kwam hij na een val met een bebloed hoofd thuis. Dat maakte indruk, maar de regel bleef eenvoudig: eerst moesten de broden rond, en pas daarna mocht de zee bestaan. In die ronde zat veel van mijn nonkel: brood, verhalen, beweging en levenslust. Waar hij binnenstapte, ontstond een gesprek of een lach. Bij hem voelde volwassenheid minder als ernst en meer als rijden, praten en de dag vooruitduwen. Voor ons kinderen was dat heerlijk, al werd elk cafébezoek langer zodra de zee in ons hoofd al begon te ruisen. Zo werd de broodronde op zomerdagen een aanloop naar de kust: elke levering bracht ons dichter bij zand, zout en wind. Aan die ronde hing één kinderangst vast: het oude toilet bij de bakkerij. In mijn verbeelding kon je door de houten vloer recht de diepte in verdwijnen. Daarom hield ik mij vaak in tot de broodronde bij ons thuis passeerde. Achteraf is het komisch; toen was het vooral een hok met planken, tocht en veel te veel diepte in mijn hoofd. Sommige kinderen zijn bang voor spoken; ik vreesde het donkere gat onder de vloer.

90 Naar zee Wanneer het in de zomer echt mooi weer was, begon in het gehucht bij de molen een bedrijvigheid die niemand officieel aankondigde. Niemand riep “naar zee!”, maar iedereen voelde het. De zakken moesten klaar, de ronde moest vooruit en de kinderen telden de leveringen bijna af alsof elke deur ons dichter bij zand en water bracht. Tegen één uur konden wij eindelijk vertrekken, richting Retranchement, vlak bij Cadzand. Eenmaal aangekomen begon het vaste ritueel: de grote tent moest over de duinen. Voor volwassenen was dat een praktische klus, voor ons een expeditie. Pas wanneer dat gevaarte stond, begon de vakantie echt: boterhammen zonder al te veel zand, wind in het doek, blote voeten en de zee vlak voor ons als een belofte die eindelijk was ingelost. Retranchement lag verscholen aan de rand van het Zwin, waar duinen, polders en zee in elkaar overvloeiden. Voor ons betekende die naam vooral: parkeren, sleuren met de tent, zand in de schoenen en eindelijk de zee zien verschijnen. Het mooiste beeld van mijn nonkel uit die zomers blijft zijn zonnebril met maar één glas. Hij leek er zich niet aan te storen, alsof één oog voldoende recht had op schaduw en het andere de werkelijkheid moest blijven controleren. Eenmaal aan zee

91 wees hij naar de gestrande boot voor de kust: de Uilenspiegel, vertelde hij, een oud radioschip, een piratenzender nog wel. Voor ons klonk dat alsof er ergens tussen mast, roest en golven nog verboden muziek lag te wachten. Zwemmen ernaartoe mocht niet, zei men, vanwege de gevaarlijke draaikolken. Mijn nonkel hoorde daarin vooral het woord avontuur. Hij was een avontuurlijke veertiger: oud genoeg om te weten dat iets verboden was, jong genoeg om te vinden dat zo’n verbod vooral voor andere mensen gold. Wij bleven aan de veilige kant van de wijsheid staan, met zand aan onze voeten en grote ogen. Hij trok de zee in alsof hij persoonlijk moest nagaan of draaikolken werkelijk zo gevaarlijk waren als volwassenen beweerden. Zijn zwemstijl had weinig van schoolslag en nog minder van elegantie; hij spartelde door het water als zo’n lichtbruine meikever die wij bakker noemden, koppig brommend tegen de richting in, meer op karakter dan op techniek. Voor mijn nonkel was de Uilenspiegel geen wrak, maar een uitdaging met mast en geschiedenis; voor ons was hij vooral het bewijs dat volwassen worden blijkbaar niet betekende dat je noodzakelijk verstandiger werd. Maar hoe groot de zomerse ondernemingszin ook was, één grens bleef overeind: 15 augustus. Vanaf die dag was de zomer

92 voor hem voorbij, hoe blauw de lucht ook bleef. Voor ons kinderen was dat onbegrijpelijk; voor hem bracht het orde. De kalender had gesproken, en zelfs de zon moest zich daar blijkbaar bij neerleggen. Zo kreeg elke vakantie haar eigen wetten: brood rondbrengen, de tent over de duinen sleuren, naar de Uilenspiegel kijken — en na 15 augustus bleef de zee waar ze was. Brood uit de oven, caféstemmen en zeeplannen die van het weer afhingen: toen was het gewoon vakantie. Later zag ik dat die plek bij de molen meer deed dan dagen vullen. Ze gaf mij na het voorzichtiger geworden huis een plek waar het leven weer luider mocht klinken. Wanneer de zee achter de duinen verdween, viel die beweging niet stil. Dichter bij huis kwam een andere wagen voorbij, met melk, kaas, stemmen en nieuws: de melkwagen die onze kinderkaart verder zou opentrekken. De melkwagen die de kaart groter maakte Dichter bij huis zette de melkwagen de wereld opnieuw op een kier. Twee keer per week brachten de melkboer en zijn vrouw melk, kaas en vooral praat. Zodra hun busje stopte, leek het nieuws al mee te komen op vier wielen. Waar de zee de horizon opende, bracht de melkwagen de verte tot aan het hek. Het was dezelfde beweging als bij de molen en de broodronde,

93 maar kleiner en dichterbij: de wereld kwam niet alleen ver weg open, ze kon ook gewoon langs de straat stoppen. De melkboer was slecht ter been en bestuurde het busje; zijn vrouw stapte uit met flessen, kaas en boodschappen. Hij aan het stuur, zij aan de deur: samen genoeg leven om een halve straat gezelliger te maken. Hij hoefde nauwelijks uit te stappen om toch overal aanwezig te zijn; zijn stem deed het loopwerk wel. Zeker op zaterdag gingen mijn ouders naar het hek. Eerst kwam de melk, daarna het echte bezoek: weer, dorp, zieken, verhuizingen, koers. Bij hem werd een gewoon praatje vanzelf iets groter. Wie alleen een liter melk kwam halen, vertrok soms met het halve weekoverzicht van de streek erbij. Voor ons kinderen hoorde dat bij de week: het busje aan het hek, stemmen over de straat en het gevoel dat de dag even niet verder hoefde. Langzaam werd die band vriendschap. Soms bezochten we elkaar op zondag in verschillende kamers en tussen andere stemmen, maar met hetzelfde snelle gevoel dat je welkom was. Toen hij voorstelde om samen uitstappen te maken, klonk dat eenvoudig, maar voor ons was het groot. Wij hadden zelf

94 geen auto; wat voor hem een zondag was, werd voor ons een reis. Voor die uitstappen werd het Volkswagenbusje omgevormd van melkwagen tot mini-autocar. De melkkannen maakten plaats voor plooizetels, alsof het vervoer van melk en kinderen ongeveer dezelfde technische opleiding vereiste. Veilig was het wellicht niet, maar achter die schuifdeur lag een groter stuk wereld. Zoetenaaie, toen bekend als het kleinste dorpje van België, maakte indruk juist omdat er zo weinig was: een kerk, wat huizen, velden en een klok die de ruimte groter deed klinken. Dat een dorp beroemd kon zijn omdat er bijna niets stond, vonden wij een geruststellende gedachte. Dan kon zelfs leegte blijkbaar carrière maken. Voor kinderen telt niet altijd wat er te zien is, maar dat men kan zeggen: daar zijn wij geraakt. Onze verste uitstap ging naar Rotterdam. Haven, brede wegen, hoge gebouwen en bedrijvigheid lieten zien dat de wereld niet ophield achter bossen, velden en kerktorens. Voor een kind uit Hoekzele leek het alsof daar alles tegelijk aankwam en vertrok. Zelfs de melkwagen werd een reiziger toen we met de auto op de veerboot naar Vlissingen waren. Wij voelden de wind, zagen de overkant dichterbij komen en vonden dat bijna een

95 zeereis. Later volgden Middelburg, Miniatuur Walcheren en Zoutelande: namen die de wereld groter, lichter en opener maakten, alsof achter elke bocht nog een plaats lag waar wij nooit vanzelf waren geraakt. Dat beeld is mij altijd bijgebleven: de zee, de overkant, de verte die toch zichtbaar was. Zoutelande werd voor mij een plaats van wind, duinen en het gevoel net ver genoeg van huis te zijn om vrijer te ademen. Later ben ik er met mijn eigen gezin nog geregeld teruggekeerd, niet om dezelfde dag terug te vinden — dat kan niet — maar omdat sommige plekken een mens blijven roepen. Toen de kinderen groter werden en puberstreken, agenda’s en eigen plannen erbij kwamen, werden de gezamenlijke reisjes moeilijker. Eerst sloeg je eens een jaar over, daarna nog eens, en op een dag bleek de laatste keer al voorbij. Maar de vriendschap bleef. Ook wanneer de uitstappen minder werden, bleef de band die tussen onze gezinnen was gegroeid bestaan. De melkboer was nooit alleen de man van melk en kaas geweest. Hij was de man aan het hek, van koerspraat en lach, die ondanks zijn pijn het stuur vasthield en ons meenam naar plaatsen die anders buiten bereik waren gebleven.

96 Helaas is hij veel te jong gestorven. Daardoor kregen die herinneringen een zachtere, pijnlijkere rand. Wat toen vanzelfsprekend leek — het busje, zijn stem, zijn lach, zijn vrouw met de melk, de geur van boterhammen onderweg — werd later kostbaar, omdat het niet bleef duren. Als ik nu aan hem denk, zie ik hem achter het stuur van dat Volkswagenbusje, met zijn stijve heup, zijn lach en plooizetels op de plaats waar de melkkannen hadden gestaan. Een winkelbel, een auto vol broden, een tent over de duinen, een veerboot naar Vlissingen, een busje aan het hek: elk daarvan zette de wereld een stuk verder open en zette mij daarna weer af in onze eigen straat. Tegen half augustus rook het langs de Weststraat naar frieten en oliebollen, stonden er kramen op het plein en draaide er muziek uit een jukebox. De kermis kwam.

97 Hoofdstuk 6 – Wanneer de kermis kwam Het dorp valt uit zijn plooi De kermis kwam niet als breuk met die grotere wereld, maar als haar terugkeer naar het dorpsplein. Na broodlucht, zeezout en wegen die verder liepen dan gewoonlijk, boog alles weer naar Hoekzele toe. Eerst was er het gewone ritme: school, werk, kerk, seizoenen. En dan ineens kramen op het plein, muziek uit een jukebox en fietsen tegen de gevels. Mannen hadden plots veel redenen om buiten te blijven staan. De kalender trok zijn zondagse broek aan. Het dorp viel uit zijn plooi. Stemmen droegen verder. Pinten kregen gezelschap. Stoepen werden tribunes, en zelfs de gevels leken mee te kijken. Voor een paar dagen zat Hoekzele losser in zijn vel. Precies daardoor werd zichtbaar wat anders onder gewoonte verborgen bleef: wie keek, wie bleef hangen, wie meetelde en wie zich even groter voelde dan op een gewone zondag. Bij die kermis hoorde de geur van frieten, oliebollen en verschaald bier. De attracties waren nog niet spectaculair, maar dat wisten wij niet. Voor ons stond op het pleintje ongeveer de wereldtentoonstelling. Er was een paardenmolen die ernstig rondjes draaide alsof hij ergens naartoe moest. Er was een lunapark dat wij de kraantjes noemden, omdat je er met een

98 grijpertje iets probeerde op te vissen dat zich meestal koppiger gedroeg dan gehoopt. En er was het zwijn: eigenlijk een rups met varkens die blijkbaar ook graag in kringetjes reden. Het indrukwekkendst was de oude schommel met houten schuiten. Met je voeten onder een riem en de rest van je lichaam op goed vertrouwen kon je overkop gaan. Op het einde remde een man de schuit af met een hendel en een plank. Veiligheid had toen nog hout, spierkracht en timing. Zoals elke zondagmorgen in de lente begon ook de kermisdag met een vinkenzetting. Nog vóór de kermis goed wakker was, stonden de vinkeniers met hun kleine kooien netjes in de rij langs de weg. Elke vink zat in zijn muit*, vaak afgeschermd zodat hij zich niet liet afleiden. De bedoeling was eenvoudig, al moest je er de oren voor spitsen: je telde niet je eigen vogel, maar de geldige liedjes van de deelnemer naast je. Een uur lang zat men daar met een telregel en een krijtje, terwijl ze luisterden naar het juiste “suskewiet*”.Een vink die hardnekkig op “Siskewauw*” eindigde, werd een Waal genoemd. Bleef hij dat doen, dan mocht hij uit de reke*: weg uit de rij van ernstige zangers. De Polderdreef had geen bomen nodig om geschikt te zijn voor de vinkenzettingen. Juist haar open stilte maakte haar bruikbaar: weinig verkeer, weinig afleiding en een rechte weg

99 naar de achterkant van De Zouter. Wij wisten nauwelijks wie daar woonde; de huizen lagen voor ons meer langs de weg dan in ons leven. Daar konden de mannen hun muiten* opstellen, hun telregels klaarleggen en luisteren naar wat voor anderen nauwelijks meer was dan vogelzang. Voor vinkeniers was dat genoeg. In zo’n stilte werd elk suskewiet hoorbaar. Mijn opa nam dat allemaal met gepaste aandacht waar, tenminste zolang hij op zijn plooistoeltje zat. Veel liever wandelde hij eens rond, maakte hier en daar een praatje en liet ook wel een pintje niet te lang eenzaam achter op de toog. Dan schoof hij zijn telregel naar mij toe en mocht ik zijn plicht overnemen. Ik voelde mij belangrijk, bijna officieel. Eén keer zag een vreemde man blijkbaar in mij een ervaren beroepsluisteraar. Hij bood mij twintig frank om zijn taak over te nemen. Twintig frank was voor mij geen geldbedrag, maar een koninkrijk in muntvorm. Ik twijfelde dus niet lang. Opa bleef dat uur zelf op zijn plooistoeltje zitten, terwijl de andere heer zijn wandeling maakte. Ik streek ondertussen braaf de liedjes aan, met het gezicht van iemand die begreep dat men kansen moest grijpen wanneer ze voorbijfloten. Voor twintig frank kon zelfs een vink mij plots zeer ernstig interesseren. De voorbereiding voor de kermis liep daar vanzelf in over. Terwijl de vinkeniers nog naar hun suskewiet luisterden alsof

100 het staatszaken waren, nam de kermis het dorp langzaam in bezit. Er werd geveegd. De stoelen werden naar de straat geschoven. Deuren bleven langer open. Aan cafédeuren verschenen mannen die zogezegd kwamen controleren of alles goed ging. Zodra een kraam werd opgebouwd, stonden wij erbij met de ernst van ingenieurs zonder diploma. Een gewone straat kreeg plots plannen. Grote plannen. Vooral de cafés leefden op. Het dorp had toen meer cafés dan vandaag: De Oude Smisse, De Bel, Sierens, Het Gemeentehuis, Elza, Smet Bakker. En dan nog de namen die misschien ooit weer bovenkomen. Tijdens de kermis reisden nieuws, koersuitslagen en roddels sneller van toog naar tafel dan de bestelde pint. Deuren open. Deuren dicht. Glazen tikten. Stoelen schuurden. Ergens lachte altijd iemand te luid op precies het verkeerde moment. Sommige mannen gingen zogezegd maar kort binnen. In kermistijd was kort een rekbaar begrip, zeker wanneer er nog iemand moest uitleggen waarom hij eigenlijk al lang thuis had moeten zijn. De Oude Smisse was niet zomaar een naam in die rij. Ze lag zo centraal dat mensen er bijna vanzelf bleven hangen: even binnen, even praten, even weten wat er in het dorp rondging. Voor ons kinderen was het geen erfgoed en geen oud gebouw, maar een deur waar stemmen uit kwamen, een toog waar

101 volwassenen tijd verloren en een plek waar Hoekzele even rond zichzelf leek te draaien. Het rumoer trok in twee richtingen tegelijk. Op straat hielden koers, cafés en volk het dorp in beweging; binnenshuis werd de tafel klaargezet voor later op de dag. Zo liep Hoekzele van gevel naar keuken, van toog naar tafel, van geroep buiten naar bestek dat binnen al klaar lag. Koers, cafés en Merckx Bij de kermis hoorde vanzelf de koers: nieuwelingen, junioren, magere benen, ernstige gezichten en supporters die raad riepen waar geen renner nog iets mee kon. Eén keer werd Hoekzele groter dan zichzelf. In de jaren zeventig reed Eddy Merckx mee in een aparte dorpskoers. Voor mijn grootouders was hij geen gewone coureur, maar bijna een halfgod op twee wielen. Met Merckx spotte je niet; dat grensde aan ketterij. Als kind zag ik vooral hoe volwassenen veranderden zodra zijn naam viel: mannen aan de toog spraken met meer zekerheid, mijn grootouders zaten rechter en zelfs de pastoor leek iets plechtiger te worden. Langs de straat stonden de mensen dichter dan anders, alsof het hele dorp plots aan één boord woonde. Er werd gewezen, gefluisterd en voorspeld. Wat zou Merckx doen? Dat wisten

102 vooral mannen die zelf al buiten adem raakten tussen café en stoeprand. Toen hij voorbijreed, ging er een rilling door de straat: niet plechtig genoeg voor de kerk, maar toch gevaarlijk dicht in de buurt. Zelfs de pastoor bleef niet helemaal buiten die koorts. Toen Merckx naar het dorp kwam, stelde hij de pastorij open zodat de kampioen zich daar kon omkleden. Misschien heb ik meer van het verhaal onthouden dan van het beeld zelf, maar het bleef hangen: de pastorij die even niet alleen naar wierook, boenwas en ernst rook, maar ook naar koers. Voor sommigen was dat te veel eer voor een coureur. De pastoor begreep wellicht beter wat mensen in een dorp werkelijk bewoog. Voor ons kinderen maakte dat Merckx alleen maar groter: als zelfs de pastoor hem binnenliet, moest hij wel dicht bij heilig zijn. Zelf wilde ik die verering niet zomaar delen. Ik verklaarde mij anti-Merckx, waarschijnlijk vooral omdat iedereen vóór hem was. Mijn kleine broer zat erbij in zijn Molteni-truitje, trouw als een kleine knecht van de grote kampioen. Toen ik mijn mening iets te nadrukkelijk liet blijken, vond mijn grootvader dat de vrijheid van meningsuiting haar grens had bereikt. Ik begon te rennen, terwijl hij achter mij aanliep tot het einde van de straat. Daar gaf hij het op. Ik liep voor de

103 zekerheid nog even door tot voorbij de kerk. Daar leek mij de kans op genade groter. Misschien begon daar al mijn neiging om tegen al te grote bewondering in te gaan. Toen wist ik alleen dat lopen soms veiliger was dan gelijk krijgen. Na Merckx zakte de hemel weer naar gewoon dorpsniveau, al bleef rond de gewone koersen de hele kermiswereld hangen: bookmakers met potlood en briefjes, ijsjes voor de kinderen, gedroogde vis die dorst maakte en mannen die van de toog naar buiten kwamen om te zien of de koers nog zonder hen bezig was. Voor kinderen was het vooral spektakel: wielen die voorbijflitsten, volwassenen die riepen alsof zij zelf de sprint konden beslissen, en een ijsje dat sneller smolt dan het kon worden opgelikt. Kermiszondag thuis Na het straatrumoer kwam de kermis ook bij ons thuis binnen. Op kermiszondag zakten de broers en zus van mijn vader af voor een dag waarop gegeten, gedronken en later nog eens gegeten werd. Niemand mocht per ongeluk met honger naar huis gaan. De tafel werd voller dan ze eigenlijk aankon: dampende schotels, glazen, borden, stoelen die net niet pasten en volwassenen die allemaal beweerden niet te veel te zullen nemen. Daarna kwam slagroomtaart. En daarna begon de zachte dwang van “nog een stukje”. Bij ons thuis was

104 verzadiging geen toestand, maar een onderhandelingsfase — meestal geleid door tantes met een taartschep en geen begrip voor overgave. Na het eten splitste de familie zich op volgens een ongeschreven reglement. De mannen gingen naar de koers en namen onderweg ook de cafés mee, zogezegd uit beleefdheid. Geen café overslaan; dat was bijna een dorpsplicht. De weg naar huis was dezelfde als bij hun vertrek, maar leek bij terugkeer meer bochten te hebben. De moeders namen intussen de kleinsten mee naar de kermis. Vanaf een jaar of tien mochten wij met vriendjes op stap. Officieel betekende dat verstandig met geld omgaan. In werkelijkheid betekende het: eerst zelfstandig doen, daarna te snel blut zijn en met een onschuldig gezicht bij oma, opa, nonkel of tante opduiken — zogezegd alleen voor een babbeltje. De augustuskermis gaf zich niet na één zondag gewonnen. Op woensdag volgden opnieuw koers, volk langs de straat, vuurwerk en een bal op de plaats waar nu een winkel is. Vroeger werden daar ook tientallen trouwfeesten gevierd. Terwijl school en werk alweer dichterbij kwamen, hield het dorp nog één avond zijn feestadem vast.

105 Muntstukken en de ochtend erna Terwijl volwassenen hun kermis verdeelden tussen koers, toog en tafel, lag het zwaartepunt voor kinderen elders. De kermis was vooral een oefening in kiezen. Je had nooit genoeg geld om alles te doen: één ritje, een ijsje of toch de schietkraam? Het muntstuk in je hand werd warm van het vasthouden, alsof het zelf ook twijfelde. Eén keer koos ik voor de schietkraam. De heldhaftigheid duurde niet lang. Ik miste alles wat kon omvallen en raakte alleen het houten randje waar niemand punten voor gaf. Ik stapte weg met lege handen, maar met de vaste overtuiging dat het geweer niet recht stond. Verliezen lag voor een kind zelden aan zichzelf. Juist omdat de kermis het dorp even uit zijn plooi had gehaald, was de ochtend erna misschien het vreemdste moment. Eerst stilte. Geen muziek. Geen geroep. Alleen een straat die nog niet helemaal wist hoe zij weer gewoon moest worden. Op de grond lagen vertrapte papiertjes, strohalmen, moddervlekken en hier en daar een verloren frietzakje dat de nacht had overleefd. De geur van olie, bier en gebakken deeg trok langzaam uit de stenen. Kramen stonden half afgebroken. Kabels lagen slap over het plein. Een vergeten stoel keek wat schaapachtig naar het gewone verkeer dat opnieuw begon. Wat

106 ’s avonds licht, muziek en beweging was geweest, werd weer straat, stoep en gevel. Langzaam trok het dorp zichzelf terug in de plooi. Volwassenen hervatten hun dagelijkse bezigheden. Kinderen volgden trager. Een dorpskermis was meer dan een feest. Ze liet zien wie erbij hoorde, wie bleef hangen aan de toog, wie gezien werd en wie met te weinig geld toch alles wilde meemaken. Voor kinderen bleef ze eenvoudiger: een muntstuk, verwachting en de zachte teleurstelling wanneer alles alweer voorbij was. Daarna nam de gewone week het weer over. In die rust klonk de schoolbel alweer dichterbij.

107 Hoofdstuk 7 – Het jaar op wielen Een jaar zonder scherpe rand Na al dat rumoer begon het vierde leerjaar. De wereld kromp opnieuw tot banken, bel en boekentas, maar dit keer voelde dat niet beklemmend. Er kwam orde, rust en een kleiner ritme waarin ik mijn plaats weer vond. Geen harde stem. Geen voorval dat zich diep vastzette. Na de scherpe rand van het derde leerjaar en de uitbundigheid van de kermis ligt dat jaar in mijn geheugen als een vlak stuk weg tussen twee bochten. Juist omdat er weinig spectaculairs gebeurde, kon er iets herstellen. Dat herstel kondigde zich niet aan. Het kwam aangerold: eerst voorzichtig, daarna ratelend, soms met een wieltje dat niet helemaal recht stond. Ik had zo’n jaar nodig. Na schrik, schaamte en kermislawaai werd mijn adem rustiger. Ik schreef netter, stak vaker mijn vinger op en durfde opnieuw plaats te nemen tussen de anderen. Zulke jaren maken weinig lawaai, maar ze herstellen meer dan je later kunt aanwijzen. Alles wat rolde, gleed of vooruitging, gaf mij heel even het gevoel dat stilvallen niet het laatste woord had.

108 Kerstavond met wafels Bij dat rustige jaar hoorden ook de eindejaarsdagen. Kerstavond had bij ons een vast ritueel: geen overdaad, maar wafels, warme botergeur en familie rond de tafel. Voor een kind was dat bijna genoeg om te geloven dat het jaar goed kon eindigen. Een van de opa’s had één zwakte: zoetigheid mocht bij hem niet te lang blijven liggen. Een wafel bovenaan de stapel had weinig toekomst. Wij kenden dat gevaar en smokkelden in de bovenste wafel twijndraad, stevige binddraad die niemand normaal in gebak verwachtte. Precies daarom vonden wij het een uitstekend plan. We hoefden niet lang te wachten. Opa nam de bovenste wafel met de zekerheid van iemand die precies wist waar in een stapel het beste stuk lag. Even later vertraagde het kauwen. Zijn wenkbrauwen gingen omhoog, zijn mond werd een vergaderzaal voor verwarring, en de draad waarvoor hij gemaakt was, deed deze keer iets anders: verbinden, maar dan tussen opa’s tanden. Wij zaten erbij met gezichten die zo onschuldig stonden dat ze bijna een eigen biecht nodig hadden. Hoe harder een kind zijn ogen openzet, hoe duidelijker het meestal al weet dat er iets dicht moet blijven.

109 Daarna kreeg de avond zijn gewone verloop. De volwassenen gingen kaarten. Cognac en soms elixir kwamen op tafel: woorden die tegelijk deftig en licht ontvlambaar klonken. Wij speelden een gezelschapsspel of keken naar een kerstprogramma dat ongetwijfeld braaf bedoeld was. Braaf was het zeker. Lang ook. Zelfs de kerstboom leek geduldig mee te wachten tot het voorbij was. Een bevriend koppel schoof vaak aan bij het kaarten. De man had één duidelijke waardering voor de avond: een cognacje op tijd en stond. Alleen zat zijn neus hem in de weg. De bolle glazen werden bovenaan smaller, en telkens wanneer hij het laatste bodempje wilde leegdrinken, botste hij waardig tegen zijn eigen anatomie. Hij kantelde het glas, draaide wat bij, maar de cognac bleef koppig onderaan liggen. Wij kinderen keken gefascineerd toe hoe een volwassen man door zijn neus tot matiging werd gedwongen. Eén kerstavond was wit. Rond middernacht gingen we even naar buiten. De sneeuw dempte de straat en maakte zelfs voetstappen zachter, maar niet alles werd plechtig. In het wit zagen we haastige sporen van mannen die vóór de middernachtmis nog snel een plasje hadden gedaan. De sneeuw had verslag uitgebracht, nauwkeuriger dan menig parochieblad.

110 Daarna volgde de middernachtmis: wierook, winterjassen en mensen die net iets stijver rechtstonden dan op een gewone zondag. Soms had iemand wat te veel warmte meegenomen in zijn stem. Dan werd er te luid gefluisterd of gezongen, en moest de kerstvrede even wachten tot ook de laatste adem naar cognac in het juiste ritme zat. Oudejaarsavond verliep volgens hetzelfde recept, soms bij grootouders of tante. Cadeautjes kwamen pas op Nieuwjaarsdag: eerst plicht, dan plezier. De kinderen lazen hun nieuwjaarsbrief voor met een stem die plechtiger klonk dan ze zich voelde. Daarna begon het familiebezoek: eten, drinken en de zachte dwang van “nog een stukje” of “nog een slokje”. Tegen 2 januari wist het lichaam beter dan het hoofd waar we overal geweest waren. In die vertrouwde herhaling vond ik ongemerkt weer houvast. Na schaamte en schrik durfde ik geleidelijk opnieuw mee te doen: aanschuiven, meelachen, iets durven uithalen en de volgende dag gewoon verder gaan. Misschien zat de kracht van dat jaar juist daarin: niet in iets groots, maar in de vanzelfsprekendheid waarmee alles zijn ronde deed.

111 Op wieltjes Buiten de klas ontdekten we de rolschaatsen, en alles wat wieltjes had, werd vanzelf een wedstrijd. Na kermislawaai en huiselijke stilte gaf rollen een eenvoudig antwoord: zolang iets vooruitging, voelde het lichter dan wat soms stilviel. De straat werd een piste; onze benen waren kleine motoren zonder remplan. Het was niet voldoende om gewoon rondjes te rijden. Het moest sneller, scherper, met bochten waarin ellebogenwerk bijna techniek werd. We prutsten aan de wieltjes met de ernst van mecaniciens zonder loon, diploma of benul van garantie. Metalen wielen gingen sneller dan rubberen; snelheid telde meer dan gezond verstand. Op de straatstenen ratelden ze zo hard dat iedereen wist dat wij eraan kwamen. Alleen sleten ze vlug. Dan moesten we weer naar de fietsenmaker, waar wij deden alsof materiaalpech nu eenmaal bij grote kampioenen hoorde. Zo leerden we dat elke overwinning haar prijs had: meestal in onderdelen, soms in knieën. Juist in dat vallen en opnieuw vertrekken zat de kern van dat jaar: de straat gaf schrammen, maar ook de kans om weer recht te komen. Eén frank geluk Die fietsenmaker hielp ons niet alleen weer op weg, maar trok ons ook naar binnen. Zijn vrouw hield een kleine

112 kruidenierswinkel waar het rook naar koffie, zeep, karton en suiker. Vooral het snoep lokte ons over de drempel. Op zondag mochten we daar voor één frank kiezen. Achter de toonbank stonden potten en dozen met zuurballen, toverballen, spekken, drop, lekstokken en blinkende snoepjes. Eén frank werd dan een ernstige zaak: rekenen, vergelijken, twijfelen en opnieuw beginnen. Uiteindelijk namen we iets wat vijf tellen later alweer betwijfeld werd. Met een papieren zakje stapten we naar buiten, alsof de wereld op kleine wieltjes vooruit kon: traag genoeg om te proeven, snel genoeg om even nergens aan te denken. Alleen kwamen we soms binnen met suiker aan onze vingers en lag vader op de zetel, leeggelopen door een dag waarop zijn kracht hem in de steek had gelaten. Dan werd zelfs snoep een klein uitstel: zoet genoeg om even te vergeten, te klein om werkelijk iets op te lossen. De rode neus van Bert Van wieltjes naar fietsen was de stap klein. Tijdens een spurt in een doodlopende straat liep plots een kleine keffer de weg op. Bert waande zich al een coureur en had zijn voeten vastgegespt zoals echte renners. Dat stond bijzonder professioneel, tot hij moest remmen. Toen bleek dat professioneel vastzitten vooral betekent dat je nergens meer heen kunt. Ontwijken lukte niet. Hij schoof enkele meters over

113 de straat, recht over zijn gezicht, alsof de weg hem persoonlijk wilde afremmen. Ik stond te trillen op mijn benen en verwittigde de eigenaars van de hond. Zij brachten hem bij de dokter. Later vergeleek de strenge onderwijzer hem met de oude Sea King-helikopters met hun rode neus. Zo ging dat toen: zelfs een schaafwond kreeg op school nog een bijnaam met propellers. En toch hoorde ook dit bij dat jaar. De schrik kwam, maar bleef niet alles overheersen. We vielen, stonden recht, lachten achteraf wat te vroeg en reden verder. Het vierde leerjaar heeft geen scherpe rand in mijn geheugen. Juist daarin ligt zijn kracht. Er kwam rust; uit die rust groeide opnieuw beweging. Er werd gelachen, gereden en gekozen. Het jaar rolde vooruit: op straat met lawaai, thuis op kousenvoeten. Soms ratelde het herstel gewoon over de straatstenen, terwijl ik snoep in een zakje had en mijn knie weer genas. Onder dat lichte rollen lag al een andere richting klaar. Verderop wachtte een ander gezag: punten, wierook en glas — drie dingen waarvan alleen het glas meteen liet horen wanneer iets brak.

114 Hoofdstuk 8 – Tussen punten, wierook en glas De hoofdonderwijzer Na het jaar op wielen kwam het vijfde leerjaar niet zachtjes aangerold; het zette meteen zijn voeten breed op de vloer. Wat eerst herstel was geweest — opnieuw meedoen, lachen, rijden, vallen en weer rechtstaan — kreeg nu een maatstaf. De bel klonk vertrouwd en de banken stonden nog altijd in rijen, maar de lucht hing strakker, alsof zelfs het krijt voorzichtiger over het bord ging. Vooraan stond de hoofdonderwijzer zelf: niet zomaar een meester, maar de man bij wie zelfs de muren rechter leken te gaan staan. In zijn klas keek niet alleen één lokaal mee, maar de hele school. Daar begon ik te voelen hoe erkenning en druk soms dezelfde deur gebruiken. Dat gezag werkte dubbel. Het drukte, maar het duwde mij ook vooruit. Ik werd aandachtiger, zorgvuldiger, koppiger. Mijn punten stegen tot bijna negentig procent, en ineens was ik niet langer alleen de stille jongen achteraan. Ik telde mee. Cijfers kregen gewicht; een rapport werd bijna een weegschaal waarop je kon aflezen hoeveel een kind waard leek. Dat was gevaarlijk, maar ook verleidelijk.

115 Eén leerling stak er duidelijk bovenuit. Daarachter begon een stille koers om de volgende plaatsen. Koen en ik hielden maand na maand gelijke tred, soms met nauwelijks verschil. Geen demarrage op straat deze keer, maar punten achter de komma, taken die net iets hoger of lager uitvielen en kleine cijfers die voor volwassenen weinig wogen, maar voor een kind een hele namiddag konden verdonkeren. Koen was niet mijn vijand; juist dat maakte het ingewikkelder. We konden naast elkaar staan op de speelplaats, zelfs lachen, en toch lag er op papier telkens een smalle streep tussen ons. Ik vond niet dat er iets oneerlijks op tafel lag, maar Koen had één klein voordeel dat moeilijk in punten viel uit te drukken: hij woonde bij de man die elke dag wist welke sommen, lessen en proefwerken belangrijk zouden worden. Echt kwaad werd ik er niet van. Wel wakker. Ik keek naar het rapport, rekende het verschil na en besloot dat de volgende ronde voor mij moest zijn. Zo werd onze puntenstrijd geen drama, maar een kleine koers op papier: zonder valpartijen, maar met genoeg ambitie om elke komma in de uitslag ernstig te nemen. Naast punten en rangorde was er zijn temperament. De hoofdonderwijzer kon plots opvliegen. Een ogenblik voordien zweefde er nog krijtstof in de lucht; het volgende moment zat

116 er spanning in elke bank. Wanneer zijn blik verschoof, trok de klas zich samen. Strengheid heette toen nog vaak opvoeding. Als kind hield je je hoofd laag en hoopte je vooral dat zijn woede, zoals een onweersbui, een andere richting zou kiezen. Eén herinnering bleef als een scherf in mijn geheugen zitten. Er bestond toen nog een zevende leerjaar, en een van de oudere leerlingen wist telkens opnieuw de woede van de hoofdonderwijzer te wekken. Op een dag werd die woede geen stem meer, maar een beweging. De hoofdonderwijzer greep hem vast en gooide hem door een deur met loodglas. Het glas brak met een geluid dat niet bij school hoorde. De klas verstijfde. Even leek de lucht uit het lokaal geslagen. Daarna liep hij de jongen achterna tot op straat. Na afloop keek ik vooral naar de scherven. Ze lagen daar op de grond, helder en scherp, alsof het lokaal iets had uitgesproken wat niemand hardop zei. Vandaag lijkt zoiets onvoorstelbaar. Toen schoof men het gemakkelijker onder tucht, karaktervorming of harde opvoeding. Maar glas spreekt zonder omwegen. Waar woorden nog konden doen alsof er niets bijzonders was gebeurd, lagen scherven op de grond: kleine, scherpe tegenspraken van alles wat men gezag noemde. Voor mij liep daar voor het eerst een breuklijn door de wereld van

117 volwassenen — zichtbaar, helder en gevaarlijk dicht bij mijn schoenen. Daarna werd het glas vervangen en gingen de lessen verder. Dat was misschien nog het vreemdste: niet de klap alleen, maar de snelheid waarmee de wereld zichzelf weer rechtzette. Wij namen onze plaats in, staken onze vinger op en schreven onze proeven. Wat te groot was om te begrijpen, werd overgeslagen alsof het een moeilijke vraag achteraan in het werkboek was. Toch bleef het beeld zitten. Tussen punten, lessen en plechtigheid schoof voortaan een donkere ondertoon mee. Sindsdien klonk hetzelfde jaar anders. Het gezag had eerst cijfers uitgedeeld, daarna zijn stem laten vallen als een slag en ten slotte glas doen springen. Daarom stapte ik ook de kerk niet meer helemaal binnen zoals vroeger. De wierook bleef dezelfde, de banken stonden op hun plaats en de kaarsen brandden alsof er nergens iets gebarsten was. Maar onder die orde zat voortaan een scherpere rand. Wat in de klas brak, nam ik mee naar een plek waar alles juist heel moest lijken: ramen, regels, knieën, stilte en gezag. Zelfs de wierook leek niet meer alleen op te stijgen; hij bleef ook ergens hangen.

118 Vroeg in de kerk In datzelfde vijfde leerjaar stond ik ook midden in de kerkelijke wereld van het dorp. Schoolgezag en geloof versterkten elkaar vanzelf: wat op het rapport begon, kreeg in de kerk wierook mee. Mijn plechtige communie* begon met discipline. Zeven weken lang stond ik om half zeven ’s morgens nuchter in de kerk. Omdat mijn zus dat jaar haar plechtige communie deed, mocht ik met toestemming van de pastoor een jaar vroeger meedoen. Voor één dag werd ik vooruitgeschoven, groter dan ik eigenlijk was — al bleef mijn lichaam daar minder plechtig onder dan de liturgie bedoelde. De voorbereiding was streng en duurde weken. Elke ochtend moesten we nuchter naar de mis om de communie te ontvangen. Pas daarna kwamen ontbijt en schooldag. In de kerk hing vaak wierook. Die zware, zoete geur maakte alles plechtiger, maar samen met het vroege uur, de lege maag en de stilte werd het soms te veel. Af en toe viel er een leerling flauw. Men noemde het vroomheid en voorbereiding; het lichaam van een kind had daar soms een stiller, duidelijker oordeel over. Daarna volgde de catechismus. We moesten die bijna volledig van buiten kennen, behalve de kleine lettertjes, die blijkbaar ook voor de hemel minder dringend waren. Begrijpen stond niet altijd voorop; kennen was belangrijker: foutloos

119 opzeggen, precies zoals het gedrukt stond. Zelfs geloof, hoop, liefde en berouw kregen punten. Zo werd vroomheid bijna een vak, met God als leerstof, de pastoor als examinator en wijzelf als kinderen die vooral hoopten dat we het juiste antwoord op tijd zouden terugvinden. Die zeven weken hoorden nog helemaal bij de voorbereiding. Elke ochtend begon in dezelfde ernst: nuchter naar de mis, catechismus opzeggen en daarna pas terug naar huis, waar de gewone dag opnieuw op gang kwam. Na de mis Na al die ernst moest de spanning ergens heen. Nauwelijks waren we de kerk uit, of de plechtigheid viel van ons af als een jas die te strak had gezeten. Dan trokken we met de fiets een sprintje. Wierook, nuchtere maag en brave gezichten maakten plaats voor trappende benen, geroep en één vraag die opeens belangrijker leek dan elke catechismus: wie was de rapste? Wat binnen eerbied had geheten, werd buiten wind in het gezicht, snelheid en jongenslawaai. Ook dat hoorde bij die zeven weken: ’s morgens met vrome gezichten in de kerk zitten en even later met bonzend hart op de fiets, alsof de hele wereld opnieuw openlag tussen twee bochten.

120 Tijdens zo’n sprint keek ik achterom om te zien wie mij nog kon inhalen — nooit een verstandig idee op een fiets. Voor ik goed wist wat er gebeurde, belandde ik op een geparkeerde Studebaker: groot, Amerikaans, blinkend en veel te bijzonder om door een jongen met kerkelijke vorming gedeukt te worden. Het dak gaf mee met een doffe klap. Zelf mankeerde ik niets, behalve de moed om te blijven staan. Ik reed naar huis met de heilige onschuld van een communicant en het geweten van een kleine vluchtmisdadiger. De Studebaker bleef achter met een deuk; ik met een verhaal dat ik vooral niet van plan was te vertellen. Zo liepen die zeven weken ten einde. Vroeg opstaan, nuchter naar de mis, catechismus opzeggen. Daarna naar huis fietsen en onderweg alweer jongens worden. Alles had naar die ene plechtige dag geleid. Toen de voorbereiding eindelijk achter ons lag, verschoof de ernst van kerk en school naar het huis, waar de tafel klaarstond en de familie samenkwam. Pas dan kwamen de taarten op tafel: een grote millefeuille* met twee kleine communicantenbeeldjes bovenop, daarnaast een gâteau met slagroom en een confituurtaart. Ze stonden daar als een klein feestlandschap van room, bladerdeeg en blinkende confituur, bijna te mooi om aan te snijden, maar natuurlijk gebeurde dat toch. De koffie werd sterk gezet. De volwassenen

121 bleven zitten en de gesprekken werden langer, alsof ook herinneringen bij het menu hoorden. Na die feestdag bleef de plechtigheid nog even in huis hangen: kruimels van millefeuille, kopjes op tafel, stemmen die natrilden en het gevoel dat er iets groots voorbij was. Maar helemaal voorbij was het nog niet. De volgende dag verplaatste de ernst zich opnieuw naar de kerk, want de bisschop kwam om ons het vormsel* toe te dienen. Hij legde de handen op, zalfde ons voorhoofd met heilige olie en sprak woorden over de kracht van de Heilige Geest. Zijn komst gaf het dorp, na de familiedrukte van de communie, nog één keer een officieel en plechtig karakter. Communiebank en fluweel Na mijn plechtige communie kreeg die kerkelijke ijver een merkwaardig vervolg. Elke week ging ik samen met Bert naar de hoogmis. Dat klinkt vroom, en dat was het misschien ook een beetje. Maar intussen was ik aardig op weg een babbelaar te worden. Tijdens de mis fluisterden wij geregeld, overtuigd dat onze woorden klein genoeg waren om tussen gebed en orgel te verdwijnen. Dat bleek een overschatting van onze fluisterkunst én van de akoestiek van de kerk. Plots voelde ik de hand van de familienon aan mijn oor. Dan werd ik naar voren geleid en mocht ik de rest van de mis op de

122 communiebank doorbrengen. Eén voordeel had dat wel: bij het uitreiken van de communie was ik als eerste aan de beurt. Het nadeel was dat mijn oor onderweg duidelijker onderricht kreeg dan mijn ziel. Vanop die communiebank zag ik ook de andere stoelen in de kerk. Sommige leken niet tot de gewone wereld te behoren: plaatsen voor families met naam en aanzien, stoelen die door gewoonte bijna eigendom waren geworden. Wij knielden op biezen zittingen, die na verloop van tijd fijne strepen in onze knieën veroorzaakten. Verderop stonden stoelen met zachte rode fluwelen zittingen, donker en warm van kleur, alsof zelfs het zitten daar een andere rang had. Als kind dacht ik daar niet politiek over na. Ik voelde alleen het verschil: sommige mensen knielden op fluweel, anderen op biezen. En in een kerk waar iedereen zogezegd gelijk was voor God, leerden onze knieën al vroeg dat de aarde onder mensen niet overal even zacht was. Wanneer zo’n voorbehouden stoel leeg leek te blijven, konden Bert en ik het niet laten er zelf even plaats te nemen. Niet lang, vonden wij, alleen lang genoeg om vast te stellen of rood fluweel werkelijk zachter was dan biezen. Onze knieën vormden daar snel een mening over, en zij waren opvallend progressief. Maar de non zag veel en vooral snel. Nog vóór wij onze tijdelijke verheffing behoorlijk hadden onderzocht, stond

123 zij naast ons. Deze keer leidde mijn oor niet naar de communiebank, maar terug naar een gewone stoel met biezen zitting. Het rode fluweel was kort geweest, maar onvergetelijk: een kleine klim in rang, meteen gevolgd door een even duidelijke terugkeer naar onze plaats. In de kerk kende men zelfs een ongeschreven indeling. Mannen en vrouwen zaten niet zomaar door elkaar: links de vrouwen, rechts de mannen. Daarnaast sprak men van een chiekhoek* en een snuifhoek*, geen officiële namen, maar feilloze dorpsaanduidingen. De snuifhoek verwees naar vrouwen die fijngemalen tabak opsnoven; bij de mannen hoorde eerder pruimtabak. Zelfs tijdens de mis had elke groep haar plek, haar gewoonten en haar stille afspraken. Van dat vijfde leerjaar nam ik iets mee wat op geen enkel rapport stond. Punten konden een kind optillen. Wierook kon de lucht vullen met plechtigheid. Feest en vormsel konden een jaar officieel afsluiten. Maar glas liet zien waar gezag brak. Buiten werden wij opnieuw jongens: we fietsten, lachten en sprintten, met stenen, rekkers en andere breekbare dingen in de buurt. Wij noemden dat spel. Niet alles wat spel heet, blijft spel. Daar, tussen wierook, fluweel en gehoorzaamheid, wist ik nog niet waartoe volwassen macht in staat was. Wel begon ik

124 te voelen dat eerbied soms dicht bij angst lag, en dat een kind moeilijk wist wanneer het ene in het andere overging.

125 Hoofdstuk 9 – De zonden van jongenshanden Vrijheid na wierook Na dat vijfde leerjaar — met zijn punten, wierook, gebroken glas, plechtige communie en vormsel — bleven we vooral met onze handen zoeken naar een andere taal. Zodra de deur van klas of kerk achter ons dichtviel, begon een beweging die ik pas veel later in volgorde kon leggen. Kasseien onder fietsbanden, stof op de knieën, zelfgemaakte wapens, snoep in papieren zakjes en jongens die hun vrijheid grepen zodra er geen volwassen oog meer in de buurt was. Een draadje aan een pootje. Een porseleinen isolator die plotseling opensprong. Een koe die opschrok in een wei. Wij noemden dat allemaal spel, en niemand keek toe. Wij konden ’s morgens nog braaf met gevouwen handen in de kerk zitten en een uur later zoeken naar stenen die goed in een rekkerboog* pasten. Voor ons botste dat niet. De hemel hoorde bij de mis; de namiddag hoorde bij buiten, bij zand op de kousen en bij alles wat jongens verzonnen zodra niemand keek. Na de mis, de catechismus en de opgelegde ernst, werden we weer jongens: we bogen voorover over het stuur, malend met onze benen, terwijl de weg voor ons openlag. Uit die roes

126 kwamen andere verleidingen dichterbij, kleiner dan een gedeukte Studebaker misschien, maar niet altijd onschuldiger. Onze verzamelplaatsen hadden meestal geen naam. Een bocht in de weg, een grachtkant, een hoop zand of een brede berm volstond. Daar stonden fietsen dwars tegen elkaar, schoenen in het stof, handen in zakken en hoofden dicht bij elkaar boven plannen die thuis nooit door de keuring waren geraakt. Wie toevallig voorbijging, zag alleen een paar jongens bij elkaar staan. Wijzelf zagen een hoofdkwartier. In mei kwamen daar de meikevers bij. Ik weet nog hoe wij ze niet echt zochten, maar beluisterden. In de hagen en eiken zat dan soms een zwaar geritsel, alsof er iets met pootjes door het blad sukkelde. Ik hield mijn adem in, schudde aan een tak en hield mijn handen klaar, wachtend tot er iets brommend viel. Een meikever landde nooit sierlijk. Hij kwam uit het groen als een klein verkeerd afgesteld motortje, spartelend op zijn rug, met pootjes die overal tegelijk houvast zochten. Ik nam hem tussen duim en wijsvinger, voelde de harde dekschilden, de kriebel van zijn poten en dat koppige trillen in zijn lijf. Dat trillen maakte indruk op mij: zo klein, zo gevangen, en toch vol verzet. Soms bond iemand een draadje aan een poot, en dan vloog hij zwaar door de avond, cirkelend boven onze handen. Wij lachten, omdat hij bromde en trok en telkens weer verder

127 wilde dan wij toelieten. Later begrijp ik pas hoe dicht verwondering en ruwheid daar bij elkaar zaten. Toen zag ik vooral een insect met zes pootjes, gevangen in mijn kinderhanden die nog niet wisten hoeveel macht ze hadden. Wij noemden meikevers eigenlijk eekronkers*, omdat ze zo vaak in eiken zaten en een eik voor ons een eek* was. Daarnaast gaven we ze namen naargelang hun kleur. De lichte exemplaren noemden we molenaars, de bruine bakkers en de donkerste paters. Voor ons waren dat geen wetenschappelijke soorten, maar dorpsnamen die vanzelf uit bomen, kleur, verbeelding en katholieke omgeving leken voort te komen. Een eekronker kreeg zo niet alleen pootjes, dekschilden en voelsprieten, maar ook een plaats in de kleine orde waarmee kinderen de wereld hanteerbaar maken. Die meikevers waren nog klein genoeg om in een kinderhand te verdwijnen, maar ze leerden ons al iets gevaarlijks: dat wat bewoog, gevangen kon worden, en dat wat gevangen was, vanzelf een spel leek te worden. Van daaruit verschoof onze aandacht haast ongemerkt naar dingen die wij zelf konden maken en laten vliegen. Eerst een draadje aan een poot, daarna een tak, een rekker, een steentje of een pijl. De stap van kijken naar mikken was kleiner dan de stap had mogen zijn.

128 Bogen, rekkers en doelen In die jaren maakten wij wapens, of wat wij tenminste zo noemden. Een boog begon met een hazelaartak, wat touw en rechte twijgen als pijlen. Vonden we ergens een veer, dan kreeg de pijl die achteraan mee. Beter schoot hij daardoor niet, maar hij zag er echter uit. Dat was voor ons al veel. Verbeelding schuurt soms gevaarlijk dicht tegen ernst aan. De katapult, of rekkerboog, vroeg meer vakmanschap: een stevige gevorkte tak, rubber uit oude fietsbanden en een leertje uit een afgedankte schoen. Daarna spanden we met beide handen, één oog dicht en de tong tussen de tanden, terwijl het rubber piepte en trok alsof het zelf twijfelde aan onze plannen. In dat korte aanspannen zat al onze ernst. Wij zagen geen stuk hout met versleten fietsband; wij zagen techniek, moed en een wapen waarvoor alleen het leger nog geen formulier had voorzien. Wat wij ermee deden, was minder onschuldig. Langs de wegen stonden houten palen met witte porseleinen isolatoren, blinkend als kleine botjes tegen het donkere hout. Voor volwassenen waren het onderdelen van telefoon- en elektriciteitslijnen. Voor ons waren het doelen die niet terugriepen. Eerst was er mikken. Dan stilte. Dan de droge knap waarmee porselein opensprong en scherven in het gras

129 verdwenen. Wij telden alleen de treffers, niet de gevolgen. Niemand vroeg zich af welke stem daardoor misschien niet aankwam of welk licht ergens haperde. Zo schoof de lijn verder: vrijheid werd overmoed, overmoed werd schade, en schade liet een schuld achter die nog geen naam had, maar al wel ergens bleef hangen. Wat spel niet meer was Erger was wat wij met dieren deden wanneer spel niet langer bij kijken en vangen bleef. In de weiden joegen we koeien en soms een paard op met stenen en pijlen, trots op onze zelfgemaakte wapens en blind voor wat wij veroorzaakten. We zagen vooral beweging: poten die sneller gingen, een lijf dat opschrok, stof dat opwaaide, een korte schrik die wij voor spel hielden. Wij lachten, omdat er iets gebeurde, alsof de wereld speciaal voor onze verveling in gang werd gezet. Nu hoor ik in dat lachen ook het gebrek aan besef. Wat als vrijheid was begonnen, begon ergens in mij te knagen — nog zacht, nog zonder woorden, maar niet meer helemaal weg te lachen. Een andere ernst aan tafel Aan het einde van dat vijfde leerjaar kwam die andere ernst niet uit het niets binnen. Ze was voorbereid door alles wat dat

130 jaar al had gemeten en gewogen: punten, aanleg, gehoorzaamheid en gezag. Tijdens de vakantie kwamen twee geestelijken bij ons aan huis. Ze stapten de woonkamer binnen, waar mijn ouders de rapporten hadden klaargelegd. Even leek de tafel, waar wij aten, schreven en soms mochten morsen, op een beoordelingslokaal. Cijfers, kansen en verwachtingen lagen plots zwaarder dan borden en kopjes. Ze bekeken mijn resultaten en spraken met mijn ouders. Voor volwassenen was het een kans die zich netjes aandiende. Voor mij voelde het alsof er aan onze eigen tafel over mijn toekomst werd beslist. Na dat alles kwam selectie: geen breuk, maar de volgende schakel in dezelfde ketting. We deden domme dingen, soms harde dingen. Wij leefden gulzig: snoep in een papieren zakje, stenen warm in de hand, modder aan schoenen, wind in het gezicht en een mond die nog naar zuurballen smaakte. We dachten dat de dag van ons was zodra de kerkdeur achter ons dichtviel. Maar terwijl wij mikten, sprintten en wegreden alsof niemand ons kon bijhouden, keken volwassenen al verder: naar punten, aanleg en toekomst. Hun blik haalde ons in nog vóór wij begrepen dat er een andere wedstrijd begonnen was. Zeven weken lang hadden wij de akte van berouw geleerd, woord voor woord. In diezelfde tijd reden wij een auto in de

131 vernieling, schoten isolatoren stuk en joegen wij dieren op. Op papier kenden wij het berouw uitstekend. In de praktijk waren wij nog bezig uit te zoeken waarvoor het eigenlijk diende. De woorden waren er dus vroeg genoeg. Het besef kwam te voet, jaren later. En toch smaakte die leeftijd ook naar zuurballen, stof en warm stuurleder in de handen. Een jongen kan schuld nog niet dragen zoals een volwassene; hij steekt ze soms eerst in zijn broekzak, naast een steentje, een touwtje en een half opgegeten snoep. Het dorpsleven liep ongemerkt naar een grens. Uit schade kwam schuld; uit punten en aanleg kwam selectie. Een jongen met goede rapporten moest verder, naar een grotere school, onder geestelijken die wisten wat er met talent moest gebeuren. Wat als kans begon, kreeg al iets dwingends. De deur stond open, maar de gang erachter werd smaller. Vanaf hier hield jeugd op vanzelfsprekend jeugd te zijn. Wij dachten dat volwassenen deuren openden omdat zij wisten wat goed voor ons was. Soms was dat ook zo. Maar achter sommige deuren lag meer dan toekomst: afhankelijkheid en macht waarvoor een kind geen woorden had. Het volgende jaar stond al in de gang te wachten — met een beker die zou blinken op tafel, een trein die mij verder bracht dan Hoekzele

132 en een lokaal waar in de winter de lampen vroeg werden aangestoken.

133 Het jaar dat bleef Over het schooljaar waarin rapporten een toekomst openden, de trein naar een grotere school vertrok, een beker op tafel blonk en achter de winterse studie een pijn ontstond die pas veel later taal kreeg.

134 Hoofdstuk 10 – De beker en de schaduw Naar het zesde leerjaar Na het vijfde leerjaar kwam niet meteen het middelbaar. Eerst volgde een zesde leerjaar op een school buiten het dorp, waar later ook mijn middelbare tijd zou beginnen. De zaken die aan onze keukentafel waren aangekondigd — rapporten, aanleg, geestelijken en de belofte van een grotere toekomst — werden werkelijkheid. Goede punten waren geen cijfers meer, maar een toegangsbewijs. Voor volwassenen was dat een kans. Voor mij voelde het dubbel: er werd iets in mij gezien, wat goed deed; tegelijkertijd liet ik de kleine kring achter, waarin de weg naar school, de jongens naast mij en het dorp vertrouwd waren. Ik ging vooruit met trots in mijn borst en heimwee in mijn jaszak. Zo begon mijn weg naar de grote school. Ze lag niet ver weg, maar wel buiten de kring waarin ik tot dan toe had geleefd. Via Rik kende ik de verhalen over de strengere aanpak, de sterke leerlingen en de wekelijkse proeven. Zelf binnenstappen was iets anders. Vanaf de eerste dag veranderde niet alleen de school, maar ook de maatstaf. Lokalen, verwachtingen, het ogenblik vóór een proef, zelfs de blik van een leraar: alles leek groter. Ik voelde mij klein en uitverkoren tegelijk.

135 De beker Ongeveer tachtig procent van de leerlingen kwam van buiten de gemeente: jongens uit omliggende dorpen, vaak gekozen omdat ze goede punten haalden of omdat men vermoedde dat er meer in hen zat. Het niveau lag hoog. Elke week waren er proeven en elke week kwam er een rapport. Op maandag hing zaterdag al boven de klas: niet alleen als begin van het weekend, maar als oordeel op papier. Wie het hoogste percentage haalde, kreeg een beker mee naar huis. Het was een eenvoudige prijs, maar voor ons betekende hij veel: punten die je kon vastnemen en thuis op tafel zetten. Een rapport kon je dichtvouwen; de beker bleef glimmen, alsof hij voor één week een betere plaats verdiende dan de suikerpot. Ik won die beker verschillende keren, één keer zelfs met honderd procent. Dat maakte mij trots, maar aanvankelijk ook verdrietig. Terwijl ik boven mijn boeken zat, hoorde ik buiten jongens roepen, een bal botsen, een fiets voorbij ratelen. Dan schoof ik mijn schriften dichterbij, leerde, wiste uit en begon opnieuw. Bijna elke week viel er wel een traan op het papier. De grotere wereld bood kansen, maar vroeg betaling. Op tafel blonk de prijs; in mijn handen voelde ik het gewicht ervan. Ook daaraan wende ik. De gezichten werden bekend en de strijd om de beste plaatsen bijna gewoon. De beker bewees dat

136 ik mij kon meten met jongens die allemaal sterk waren. Goed zijn volstond niet: je moest het telkens opnieuw tonen, proef na proef, rapport na rapport. Wat ik nog niet wist, was dat onder hetzelfde dak waar ik mij zo graag bewees, mijn lichaam eerder dan mijn hoofd zou leren hoe vertrouwen kan kantelen. Eerst was er de glans. De onrust kwam later, maar hoorde bij hetzelfde jaar. Zaterdagmiddag thuis Thuis kregen de punten een andere betekenis. Mijn vader kon definitief niet meer werken en zat op zaterdagmiddag vaak uit te kijken tot ik er was. “En, hoeveel is het geworden?” vroeg hij nog vóór mijn boekentas de grond raakte. Bij een goed rapport of de beker werd zijn gezicht zachter: trots, opluchting, soms een korte glans die zijn ziekte naar de achtergrond duwde. Veel zei hij niet. Een knik, een glimlach, een eenvoudig “goed gedaan” volstond. Ik wilde hem iets brengen waar hij blij van werd: klein genoeg voor de tafel, groot genoeg om zijn gezicht even te veranderen. Grootvader begint opnieuw In dat zesde leerjaar gebeurde thuis iets onverwachts. Mijn grootvader langs vaderskant, al tien jaar weduwnaar, leerde een weduwe kennen die een beenhouwerij had en waar hij af en toe

137 hielp. Voor volwassenen was dat wellicht verstandig en warm. Voor ons kinderen bleef het vreemd dat een grootvader van voorbij de zestig nog aan een nieuw leven begon, tussen hakblok, vleeshaken, koude tegels en de geur van vers vlees. Terwijl hij daar een plaats vond in een ander dagelijks ritme, verschoof er bij ons iets. Rond de tafel bleef alles herkenbaar, behalve die ene stoel die niet meer werd bijgeschoven. Bij die nieuwe verhouding hoorde een huwelijksfeest waarop iedereen keek, proefde en praatte, en intussen probeerde uit te vissen hoe de familie nu precies in elkaar zat. Daar zag ik een tafereel dat een mens niet verzint. Mijn nonkel vond blijkbaar dat mijn zevenjarige broer niet te lang mocht achterblijven in de volwassen wereld. Eerst mocht hij van zijn bier nippen, daarna zelfs aan zijn sigaret trekken. Mijn broer nam de opdracht ernstiger dan goed voor hem was. Even stond hij daar als een miniatuurman, met meer fierheid dan ervaring en al wat minder kleur dan voordien. Niet veel later lag hij bleek bij een tante te bekomen, met een blik die zei dat volwassen worden zwaar werd overschat en beter pas na de lagere school werd ingevoerd. Thuis veranderde intussen iets eenvoudigs maar wezenlijks: grootvader woonde niet meer bij ons. Met zijn grote gestalte verdween ook zijn bijzondere kunst om boterhammen te

138 snijden. Hij maakte ze mooi gelijk, stevig en toch dun, alsof elk sneetje recht had op zorgvuldigheid. Zelf kreeg hij nauwelijks tijd om er één te eten, want terwijl hij sneed, verdwenen ze alweer — ons kinderlijke eerbetoon aan zijn vakmanschap. Pas na zijn vertrek merkten we wat die handen allemaal hadden geweten: waar het mes lag, wie nog honger had en hoe je voor een gezin zorgde zonder dat iemand erom hoefde te vragen. Ook mijn moeder hield dat gewone ritme gaande, al zag ik daar toen weinig van. Haar werkweek liep door tot zaterdagmiddag. Pas daarna kwam ze thuis, moe van de trein en van dagen die begonnen nog vóór de vorige goed en wel voorbij waren. Trots en tederheid Soms bracht mijn moeder na haar werk een vers suikerbroodje mee. Geen groot geschenk, en juist daarom kostbaar. We aten het samen: de geur van brood, de zoete stukjes in de zachte kruim, een tafel waarrond de week even ophield. Ze hoefde niets uit te leggen. In dat broodje zaten haar zorg, haar vermoeidheid en haar manier om te zeggen dat ze aan ons had gedacht. Als er een prijs voor bestond, had het elke week gewonnen zonder één proef af te leggen. Zo stonden beker en broodje naast elkaar: prestatie en zorg, trots en tederheid. De beker blonk harder; het broodje was warmer.

139 Aan de oppervlakte was alles ordelijk: de beker, het suikerbroodje, de trots van mijn vader, de zorg van mijn moeder. Rapporten, treinritten, brood op tafel, mensen die vroegen hoe het was geweest. Niets aan die orde vertelde wat er onder hetzelfde schooldak gebeurde. De schaduw Dat zesde leerjaar heeft mijn leven ook op een zwaardere manier bepaald. De onderwijzer was geestelijke én directeur. Hij droeg het gezag van klas, school, Kerk en volwassen wereld tegelijk. Juist daarom was wat er gebeurde zo verwarrend en verkeerd. Er waren aanrakingen en gedragingen die wij als kinderen niet konden plaatsen. We voelden het onjuiste, maar hadden noch de woorden om het te benoemen, noch de macht om eraan te ontsnappen. In de winter was het erger. Wie van ver kwam, kon na de laatste les niet meteen naar huis; de trein bepaalde het uur van vertrek. De jongens uit West-Vlaanderen en Hoekzele moesten blijven voor wat men ‘de studie’ noemde. Een handvol leerlingen uit het zesde leerjaar, waaronder Rik en ik, zat in een lokaal waar de lampen al brandden terwijl de kou buiten over de speelplaats zakte. We hielden onze jassen soms nog aan. Het was te gespannen voor een studie-uur, te

140 afwachtend voor een gewone klas. De directeur was alleen met ons. Studie was het nauwelijks. Hij liep tussen de banken en koos telkens iemand uit. Met zijn knokkels stootte hij tussen de ribben, kort en hard, op een plek waar het pijn deed en weinig te zien was. Wegdraaien kon niet. Roepen deed niemand. Je hield je ogen op het blad, al las je geen woord meer, en voelde je schouders al optrekken vóór hij bij je bank was. Dat wachten was misschien erger dan de stoot: ieder lichaam wist wat kon komen, en ieder kind deed alsof het werkte. Het kind in mij bleef soms hardnekkig praktisch. Ik keek naar mijn blad en dacht dat een potloodlijn die recht bleef, misschien ook mij recht kon houden. Wat daarna kwam, was erger. Op de pijn volgde de troost, of wat daarvoor moest doorgaan. Je moest bij hem komen en op zijn schoot gaan zitten, hij in zijn pij. Wat daar gebeurde, laat ik onbeschreven. Niet om het te verzachten, maar omdat een precieze beschrijving het kind opnieuw zou overvleugelen. Wij bezaten die woorden toen niet. We wisten alleen dat het verkeerd was; ons lichaam wist het eerder dan ons hoofd. Daarna gingen we terug naar onze bank alsof er niets was gebeurd.

141 Dan mochten we gaan. Met de boekentas op de rug liepen we door het donker naar het station. Op het perron stonden we dicht bij elkaar en toch ieder alleen met wat er was gebeurd. In de trein zaten we naast elkaar bij het raam terwijl de avond langs het glas schoof. We spraken er niet over. Thuis evenmin. We deden de deur open en zeiden dat het goed geweest was. Misschien vroeg niemand verder omdat er niets aan ons te zien was. Wat vanbinnen beschadigd raakt, draagt niet altijd een verband. Veel leerlingen hadden het meegemaakt of wisten ervan. Toch sprak niemand. Eind jaren zestig stond een kind machteloos tegenover een geestelijke die ook directeur was. Men gehoorzaamde, keek weg, paste zich aan nog vóór men begreep waarom. Zo kreeg deze situatie de verkeerde bescherming van het zwijgen. Jaren later werd duidelijk wat wij toen niet konden begrijpen. Het had niets te maken met opvoeding, tucht of gezag, maar met misbruik van vertrouwen en macht. Die woorden maakten het niet lichter; ze gaven alleen een naam aan wat al die tijd naamloos was gebleven. Nog veel later kan een toevallige ontmoeting, een geur of een gang het oude weten ineens dichtbij brengen.

142 Dat jaar werd dus niet alleen de nieuwe school, de hogere lat en de strijd om punten. Het was ook het jaar waarin vertrouwen een diepe barst kreeg. Van buiten leek het een keurige, strenge katholieke school. Binnen gingen de lessen gewoon door: boeken open, speelplaats, fietsritten, rapporten. Ik deed mee, met het hoofd naar voren en iets onzichtbaars in mijn rug. Lang dacht ik dat ik moest kiezen welke herinnering de ware was: de trots of het misbruik, de beker op tafel of het winterse lokaal. Nu weet ik dat beide waar zijn. Ze behoorden tot hetzelfde jaar, dezelfde gangen, hetzelfde kind. De glans maakte niet ongedaan wat erachter gebeurde; wat er gebeurde nam evenmin weg dat ik trots was. Die dubbelheid bleef precies wegen. Daarna ging het leven verder, zoals het leven dat doet: met lessen, fietsen, vrienden, liefde en werk. Maar wat geen plaats had gekregen, verdween niet. Het zakte onder de jaren en werd soms onverwacht tastbaar in een gebaar, een keuze of een grens die ik te laat voelde. Niet elke dag, wel altijd ergens mee op reis. Toch groeide daaruit met de jaren een richting die zich niet voorgoed liet tegenhouden. Nog niet in woorden, wel in de

143 ochtendmist boven de velden, waar jongens naast elkaar naar school reden en door elkaar praatten.

144 Terug langs dezelfde wegen Over de stem die loskwam, de liefde die bleef, het verlies dat sneed en de latere terugkeer naar plaatsen waar kans en kwetsuur samenwoonden: van fietsritten, schoolreizen, mijn lief en Rik tot de hoofdstad, burn-out, erkenning en opnieuw op krachten komen.

145 Hoofdstuk 11 – De jongen die zijn stem vond Een nieuwe maatstaf De poort was dezelfde, de gangen ook, en tussen de banken hing nog altijd de geur van boenwas en krijt. Alleen paste ik er niet meer op dezelfde manier in. Ik liep iets rechter en tegelijk voorzichtiger, alsof mijn lichaam eerder dan mijn hoofd wist dat ik niet meer dezelfde was. Wat het jaar daarvoor onder mijn ribben was blijven zitten, ging gewoon met mij mee naar binnen: een trap hoger, één bank verder. Meer vakken, meer leerkrachten, een strakker ritme en een leeftijd waarop een jongen groter wil zijn zonder goed te weten hoe: alles vroeg opnieuw om een plaats. Geleidelijk leerde ik spreken, meedoen en aanwezig blijven. Het begon niet met een overwinning, maar met een grapje achteraan, daarna een antwoord, later het praten onderweg met anderen. De lokalen droegen de sfeer van veel katholieke scholen van toen: banken in rijen, een zwart bord, een kruisbeeld aan de muur en achteraan een spreuk over ijver, gehoorzaamheid of voorzichtigheid. In ons eerste middelbaar stond er: “Denk aleer je doende zijt, en doende denk dan nog.” Dat klonk wijs genoeg om boven een bord te hangen en ingewikkeld genoeg

146 om er tijdens de les vooral niet te lang bij stil te staan. Jaren later zou blijken dat sommige geestelijken die zin misschien toch wat aandachtiger hadden mogen lezen. Frans kregen we van een geestelijke die wij met een bijnaam aanspraken, duidelijk afgeleid van zijn voornaam. Iedereen noemde hem Modde. Hij kwam het lokaal binnen met zijn pijp, zijn boek en de vanzelfsprekendheid dat hij iemand was op wie de Franse grammatica al stond te wachten. Hij had opvallend grote oren, vooral wanneer zijn schaduw op het bord viel. Dan leek het alsof niet alleen hij lesgaf, maar ook zijn oren elk werkwoord extra controleerden. Voor jongens van onze leeftijd was dat onweerstaanbaar. Mijn kameraad en ik wisten precies op welke bank het uitzicht het beste was. Zodra hij zich naar het bord draaide, begon achter onze gezichten een hele klas aan ingehouden vrolijkheid. Over de middag gaf Modde dactyloles, rustig rokend naast onze typemachines. Het eerste gebod was eenvoudig: niet naar je vingers kijken. Je moest de letters leren vinden zonder beneden te spieken, alsof het toetsenbord een geloofswaarheid was die men blind moest aannemen. Na het aantikken van de verschillende letters kwam het echte ritme. Uit zijn oude bandopnemer galmde militaire marsmuziek, en daarop moesten wij typen: tik-tik-tik, alsof de toetsen in gelid

147 marcheerden en wij kleine soldaten van de letterrij waren. Op een dag ontdekte een snoodaard hoe je de snelheid van het apparaat kon vertragen. De mars zakte langzaam door de knieën, de muziek werd log en plechtig, en onze vingers volgden gehoorzaam alsof het leger plots door diepe modder trok. Het duurde even voor Modde doorhad wat er gebeurde. Voor ons waren dat gouden minuten: een halve muiterij op vierentwintig toetsen. Maar naast dat komische gedoe zat er ook een pijnlijke toets in die lessen. Wie toch naar zijn handen keek, kreeg Moddes sleutelbos op de vingers. Niet hard genoeg om er een groot drama van te maken, wel scherp genoeg om te onthouden dat blind typen blijkbaar ook gehoorzaamheid betekende. De toetsen ratelden, het inktlint rook naar metaal en stof, de marsmuziek liep weer in de pas en wij hielden onze ogen braaf omhoog. Beneden moesten onze vingers intussen maar zien waar ze terechtkwamen. Sommige letters bereikten daardoor hun bestemming via een omweg. Toen hij later met zijn pijp in de mond ook nog tegen een glazen deur liep, was zijn plaats in onze herinnering verzekerd: Modde, de man van Frans, dactylo, pijprook, grote oren en kleine ongelukken. Hij hoefde geen komiek te zijn; het meubilair werkte soms mee en de architectuur leverde haar

148 eigen bijdrage. Na elke lach schoof de schooldag weer in zijn spoor. Vak na vak. Lokaal na lokaal. Bel na bel. De grapjes rond Modde maakten de gangen lichter, maar daarachter draaide de ernst gewoon door: examens, zelfbeheersing en een school die elke ochtend opnieuw vroeg dat wij meedraaiden. Onder die losse scènes zat telkens dezelfde beweging: zwijgen, voorzichtig spreken en opnieuw stilvallen wanneer iets te groot werd. De grappen rond Modde gaven lucht. Examens vroegen discipline. De schoolreis bracht opnieuw schaamte. Toch schoof daaronder iets vooruit: een opmerking achteraan in de klas, een antwoord dat niet eerst om toestemming vroeg, een hand die omhoogging nog vóór ik er goed over had nagedacht. Examens en zelfbeheersing Aan examens moest ik wennen. In de lagere school waren er proeven en rapporten geweest, maar examens hadden een ander gewicht. Ze kwamen niet als losse vragen, maar als stapels hoofdstukken die op je lessenaar gingen liggen en daar zwaarder werden naarmate je er langer naar keek. De dagen kregen een strakker geluid: bladzijden omslaan, pennen scherpen, stoelen schuiven, adem inhouden. Plots moest je plannen, volhouden en op tijd beginnen — drie dingen die een jongen van twaalf niet vanzelf in huis heeft.

149 Mijn resultaten bleven goed, meestal rond de negentig procent. Dat gaf vertrouwen. Maar het bracht ook een nieuwe les mee: aanleg volstond niet. Wie zijn werk liet liggen, voelde dat meteen, alsof de cijfers niet op papier stonden, maar aan je mouw trokken. Thuis werd niet overdreven met lof gezwaaid, maar mooie cijfers brachten rust en trots in huis. Zo leerde ik dat er ook discipline bij hoorde: blijven zitten wanneer buiten alles riep. Na dat ritme van lessen, proeven en ingehouden adem kwam op het einde van het jaar iets waarnaar wij weken hadden uitgekeken: de schoolreis. Eindelijk geen bank, geen bord, geen examenblad dat terugkeek. We trokken naar West-Vlaanderen: De Groene Poort in Brugge, de Dodengang, de IJzertoren en de Lakenhallen in Ieper. Geschiedenis, oorlog en schoolse nieuwsgierigheid op één dag. Voor mij kreeg die reis al bij de eerste halte een heel andere kleur. Ik had diarree. Dat is geen zin die veel literaire omwegen verdraagt. Nog vóór de dag goed en wel begonnen was, ging het mis. Bij de eerste halte had ik een ongelukje in mijn broek. Hoe ik het precies heb opgelost, weet ik niet meer, maar vanaf dat ogenblik had die schoolreis voor mij nog maar één programmapunt: niets laten merken. De gids kon vertellen wat hij wilde; mijn binnenlandse toestand eiste alle aandacht op.

150 De rest van de dag hield ik afstand: niet te dicht bij de anderen lopen, op de bus liefst alleen zitten, lachen wanneer er gelachen moest worden. Aan de Dodengang stond ik tussen de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog met maar één gedachte: uit de buurt blijven. De grote geschiedenis moest wijken voor mijn kleine ramp. Zelfs de IJzertoren kon daar die dag weinig hoogte aan geven. Ook thuis dacht ik slim te zijn. Ik ging meteen naar bed, hing mijn broek netjes in de kast en deed alsof er niets gebeurd was. Achteraf bekeken was dat een gewaagd vertrouwen in de kracht van textiel en zwijgen. Tot mijn moeder hem later ontdekte, met twee vingers omhooghield en zei: “Mijn jongen, was het een schone reis?” Toen viel er niets meer weg te moffelen. De strategie was van mij; de eindcontrole van haar. De stem komt los Juist na die schoolreis, waarin ik vooral had geprobeerd onzichtbaar te blijven, werd duidelijk hoe vreemd groei soms verloopt. Eerst wil je verdwijnen; even later begint je stem toch naar buiten te zoeken. Tussen schoolwerk, examens en strengere verwachtingen veranderde er iets in mij. De jongen die keek en luisterde, kreeg gezelschap van iemand die vertelde,

151 reageerde en soms zijn mond niet hield wanneer zwijgen verstandiger was geweest. Ik werd een babbelaar, niet uit brutaliteit, maar omdat zwijgen niet langer de enige bescherming mocht blijven. Mijn stem schraapte eerst wat, botste soms, viel stil en begon opnieuw. Daarin zat herstel: niet in luid worden, maar in opnieuw durven klinken. In de lagere school had terughoudendheid mij vaak beschermd. In het middelbaar begon ik mij meer te tonen: voorzichtig nog, maar levendiger, socialer, vaker aanwezig. Die nieuwe stem vond vooral buiten de klas haar ritme, op de fietsritten van en naar school. Daar, tussen ratelende kettingen en jongens die door elkaar praatten, oefende ik misschien zonder het te weten om hoorbaar te worden. De weg gaf cadans aan wat in de klas nog haperde: een grap, een antwoord, een zin die niet eerst om toestemming vroeg. Op de fiets In het zesde leerjaar had ik de trein genomen; vanaf het middelbaar ging het met de fiets. Elke dag reed ik met een bende jongens naar school: boekentassen op de bagagedrager, jasflappen in de wind, kettingen die ratelden en stemmen die door elkaar liepen. De weg werd een overgang tussen thuis en school, tussen het veilige dorp en de strengere wereld van lessen en examens.

152 In de ochtend lag er vaak nog nevel boven de velden. De kasseien glommen vochtig, grachten trokken donkere lijnen langs de weg en hier en daar kwam rook uit een schouw. We reden het dorp uit met koude wangen en half slapende stemmen, langs huizen waar de gordijnen nog dicht waren en erven waar al iemand een poort opentrok. Nog vóór de school begon, had de dag al zijn geur: nat gras, mest, kolenrook en de adem van jongens die tegelijk wilden praten, geeuwen en vooruitgaan. Sommige winters maakten die rit bijna heldhaftig. Met dikke wanten en een sjaal tot over de kin vertrokken we toch. Kasseien werden glad, de wind beet door de jas en je vingers kwamen pas in de klas weer tot leven. Omdat we samen waren, leek de afstand korter. De terugrit werd vaak een koers. Een blik, een versnelling, iemand die recht op de trappers ging staan: meer was er niet nodig. We haalden in, riepen, lachten en sprintten naar een bocht, een bruggetje of een boom alsof daar een echte aankomstlijn lag. De Tourdirectie wist van niets, maar wij reden alsof ze elk moment uit de berm kon springen, compleet met vlag en beschuldigende blik. Rik sprintte nooit mee. Niet omdat hij niet kon volgen — hij had langere benen dan ik — maar omdat hij het winnen

153 rustig aan de anderen liet. Terwijl wij bij de bocht stonden na te hijgen en al ruzieden over wie er eerst was geweest, kwam hij een halve minuut later aangereden, met zijn boekentas nog recht op de bagagedrager. Hij hield zijn ketting beter in orde dan wij allemaal samen. Stond er iemand in de berm met een afgesprongen ketting, dan was hij het die afstapte: zwarte vingers, geen woord van verwijt, en daarna reden we verder. Eén keer, aan het bruggetje over de beek, stak hij zijn hand op om ons stil te krijgen. Op een tak boven het water zat een ijsvogel, blauw en onwaarschijnlijk in dat grijze landschap. We keken tot hij wegschoot. Daarna zei niemand iets bijzonders en trapten we door naar school. Dat beeld is gebleven: Rik met zijn hand omhoog, en wij die één keer allemaal tegelijk zwegen omdat hij erom vroeg. In die ritten zat iets wat geen rapport kon meten: kameraadschap, vrijheid, kou op de wangen en de vreugde dat je samen onderweg was. Daar was de jongen die zich vroeger klein hield gewoon een van de anderen: roepend, lachend, mee sprintend tot aan de bocht. In dezelfde jaren kreeg ook de tuin van vroeger een andere betekenis. Wat ooit vooral volière, boomgaard en varken was geweest, werd nu soms het decor van oudere jongensstreken. Er was een kast, een bal en een verfschraper: drie gewone

154 dingen die samen genoeg waren om thuis weer eens uit te leggen dat spel niet altijd spel bleef. De details horen minder bij de kleutertuin van mijn eerste jaren dan bij deze leeftijd, waarin vrijheid, overmoed en onhandigheid dicht bij elkaar lagen. Wat ik toen als een vondst beschouwde, bleek achteraf vooral een bewijs dat een jongen die eindelijk durfde praten, nog moest leren waar hij zijn handen beter niet gebruikte. Die eerste jaren gingen voorbij. Ik had mijn plaats gevonden en dacht dat het zo zou blijven. Maar wat in het zesde leerjaar onder de huid was gekropen, bleef niet achter in dat lokaal. Het kwam later onverwacht terug, niet als herinnering met woorden, maar als gebaar. Terwijl mijn stem naar buiten kwam, kende mijn lichaam nog een oudere taal: pijn, machteloosheid en nadoen zonder te begrijpen. Een harde knokkel Ik moet in het tweede middelbaar hebben gezeten. Op zaterdagnamiddag zat ik te studeren, terwijl mijn broer mij geregeld kwam storen: een woord, een por, een hand op mijn blad. Het was plagen zoals kleine broers dat doen. Wat ik deed, was iets anders.

155 Ik sloeg hem met mijn knokkels tussen de ribben. Niet in het wilde weg, maar kort en hard, op een manier waarvan ik wist dat ze pijn deed. Die zin blijft mij meer bij dan de slag zelf. Er zat iets in dat verder ging dan gewoon plagen tussen broers. Het was alsof een oud gebaar, ergens anders geleerd, plots mijn eigen hand had gevonden. Tientallen jaren heb ik daar niet bij stilgestaan. Pas veel later, toen er woorden kwamen voor wat er in dat zesde leerjaar met ons was gebeurd, kwam het gebaar terug: knokkels tussen de ribben, op een plek waar het pijn deed en weinig zichtbaar was. Ik wil daar geen rechte lijn van maken. Toch stond het niet los van wat ik zelf had gevoeld en toen niet begrepen. Die zaterdagnamiddag thuis liet zien hoe dicht pijn, machteloosheid en onhandigheid bij elkaar kunnen liggen. Daarna werd het weer stil in huis op de gewone manier: een stoel schoof, ergens tikte bestek tegen een bord, en mijn broer deed alsof hij mij nooit meer zou storen — wat, zoals bij broers gebruikelijk, hoogstens tot de volgende gelegenheid duurde. Misschien hoort zoiets ook bij de lompe onhandigheid van pubers: plagen dat te hard wordt, stoer willen doen tegenover een jongere broer en daarna beseffen dat het minder heldhaftig was dan je dacht. Toch blijven die knokkels, die plek tussen de

156 ribben en die ene zin bij mij. Ik wil er geen groot drama van maken, maar ook niet doen alsof het niets was. Als mijn broer dit ooit leest, hoop ik vooral dat hij weet dat ik het mij herinner met spijt en met liefde. Gelukkig is dat niet het beeld dat onze band is blijven bepalen. Mijn broer en ik zijn broers gebleven, elk met onze eigen weg. Misschien zijn precies zulke scheve momenten later kleiner geworden dan de verbondenheid die bleef. Toch bracht die herinnering mij dichter bij een ander besef: terwijl ik mijn stem vond en mijn weg verder liep, droeg thuis iemand anders meer mee dan ik toen begreep. De stem van mijn zus Terwijl ik in het derde middelbaar zat, ging mijn zus werken in een naaiatelier in Drongen. Er werd niet lang over gepraat. “Je kunt daar beginnen,” zal het geklonken hebben, en daarmee was de zaak geregeld. Ik fietste naar school met mijn boekentas; zij nam de trein naar een atelier vol machines, stof en draad. Mijn dagen vulden zich met lessen, toetsen en woorden die langzaam van mij werden. Haar dagen ratelden tussen naalden en stof, met uren die weinig ruimte lieten om zelf nog meisje te zijn. ’s Avonds kwam zij thuis met draadjes op haar kleren, ik met mijn rapport. Soms legde zij haar handen even op tafel, alsof ze daarmee de dag neerzette. Mijn aandacht

157 lag toen vooral bij mijn eigen punten. Haar vermoeide handen vertelden meer dan ik toen kon lezen. Zij was nog jong, maar zette mee de schouders onder het gezin. Mijn boeken, examens en rapporten rustten voor een deel op haar loon. Zij ging werken, kwam thuis, at mee aan tafel en deed de volgende dag opnieuw hetzelfde. Terwijl mijn stem ruimte kreeg in klas, straat en fietsritten, werd de hare smaller gemaakt door noodzaak. Haar dagen maakten mijn dagen mogelijk. Van die jaren in het lager middelbaar herinner ik mij geen groot keerpunt. Toch was er iets veranderd. De jongen die zich vroeger klein hield, praatte, lachte en sprintte nu mee. Hij had zijn stem gevonden, nog vóór hij wist waarvoor hij ze zou gebruiken. Maar die stem werd mee mogelijk gemaakt door mensen thuis die ruimte lieten en werk droegen. Daarom hoort de stem van mijn zus bij de mijne: niet als echo, maar als stille tegenstem. Mijn woorden, punten en toekomst rustten ook op haar zorg. Die gevonden stem maakte mij niet los van thuis. Ze gaf mij net genoeg ruimte om verder te kijken. Eerst kwamen liefde, licht en het gevoel dat de wereld open kon gaan. Daarna bleek dat liefde niet alles kan bewaren, maar wel iets kan blijven dragen wanneer verlies binnenkomt. Zo eindigt dit hoofdstuk

158 niet met een jongen die klaar is, maar met iemand die opnieuw durft te klinken — kwetsbaar, verbonden met wie hem droegen, en klaar om liefde en verlies tegemoet te gaan.

159 Hoofdstuk 12 – Liefde, licht en verlies Loskomen In het vierde middelbaar draaide de wind. De boeken bleven soms langer dicht — niet omdat school ineens onbelangrijk werd, maar omdat buiten de banken een andere wereld begon te roepen: muziek, stemmen, avondlucht en vrijheid. We gingen naar een bal, een dorpsfeest, een avond waarop het dorp vol licht en verwachting stond. Voorzichtig kwam ik los van de schoolse ernst. Ik bleef dicht genoeg bij huis om mij gedragen te weten, maar ver genoeg om te voelen dat er iets nieuws aan mij trok. Eerst was dat niet meer dan een onrust, een zin om na het laatste lesuur niet meteen terug te keren naar het bekende. Later kreeg die onrust een gezicht. En in datzelfde jaar luidden op een woensdagnamiddag de klokken over het dorp. In het begin was dat wennen. Tussen oudere uitgaanders voelde ik mij half jongen, half iemand die al bij de groteren wilde horen. Ik keek hoe zij stonden, praatten en schijnbaar zonder nadenken hun plaats innamen. Zelf dacht ik nog na over waar ik mijn handen liet. Thuis werd het uur van thuiskomst duidelijk afgesproken: eerst middernacht, later één uur. Ik hield mij eraan. Dat ik geen alcohol dronk en op tijd terug was, gaf mijn ouders vertrouwen. Hun voorzichtigheid

160 zie ik nu beter: ze gaven vrijheid, maar hielden er in stilte nog altijd een hand onder. Ik voelde vooral de ruimte; zij droegen de zorg die erbij hoorde. Zoals de meeste pubers was ik thuis niet altijd gemakkelijk. Ik luisterde minder goed, vond sneller dat ik gelijk had en dacht geregeld dat mijn ouders er weinig van begrepen. Dat vond ik zelf bijzonder overtuigend. Mijn gelijk had toen een eigen richtingaanwijzer nodig, want het wees zelden naar de keuken waar mijn moeder stond. Als koppigheid een diploma had gehad, was ik waarschijnlijk cum laude geslaagd, al gaf dat thuis nog altijd geen recht om later binnen te komen. Nu zie ik scherper dat mijn ouders niet tegenover mij stonden, maar naast mij probeerden te blijven terwijl ik mij losmaakte. Dat is het vreemde van die leeftijd: je wilt weg, maar thuis moet toch blijven waar het is. Je trekt aan de draad en rekent erop dat hij niet breekt. Toch wilde ik af en toe iets goedmaken. Op zondagmorgen sprong ik soms vroeg uit bed, dekte de tafel en ging verse boterkoeken halen, de beste uit de streek. De zak was warm in mijn handen wanneer ik thuiskwam. Koffie, kruimels, boter aan de vingers: meer was er niet nodig. Een zak boterkoeken kon meer herstellen dan een lang gesprek aan tafel. Niemand hoefde precies te zeggen waarvoor het ontbijt een

161 verontschuldiging was. Zo kon een week die moeilijk was geweest, eindigen in kleine vrede. Terwijl ik vrijheid zocht in avondlucht, muziek en leeftijdsgenoten, zocht mijn vader houvast in iets dat wachtte, terugkeerde en weinig woorden vroeg. Zo kwamen de duiven in ons leven, bijna ongemerkt. Hun vleugels brachten beweging rond het huis; hun terugkeer gaf de week een maat. Ze zouden langer blijven dan ik toen kon vermoeden. Vader, duiven en de lucht Wanneer de eerste duiven werkelijk in ons leven kwamen, weet ik niet meer. Misschien was er geen duidelijke dag, geen plechtig begin. Misschien stonden er op een ochtend gewoon hokken achter het huis, klonk er plots dat droge ritselen van vleugels tegen hout en lag er graan in een bak waarop eerst nog niets te zien was geweest. Maar in mijn herinnering kwamen niet alleen de duiven dichterbij. Ook mijn vader kwam, haast ongemerkt, weer een beetje dichter bij ons en bij de wereld. Na jaren waarin wij hem stiller hadden zien worden, alsof hij zich telkens verder in de voorkamer terugtrok, begon er iets in hem te verschuiven. Niet groot, niet luid, niet iets waar je meteen een naam op kon plakken, maar voor ons wel voelbaar: hij bleef langer aan het raam staan, verdween minder snel achter het gordijn en keek niet meer alleen naar de straat alsof die

162 zonder hem voorbijging. Hij begon opnieuw te wachten, en dat wachten had plots vleugels. Zijn ziekte was niet weg. De moeilijke periodes, de hevige hoofdpijn en de dagen waarop hij zich terugtrok, bleven terugkomen als slecht weer dat nooit helemaal uit het seizoen verdween. Maar intussen stond ook de geneeskunde niet stil. Door aangepaste medicatie en door wat artsen gaandeweg beter begrepen van die kleine, verborgen klier diep in zijn hoofd, kwamen er tussen de donkere dagen open plekken. Eerst waren het haast onmerkbare dingen: een stap tot aan het hek, een kort praatje met iemand die passeerde, een blik omhoog wanneer er een vleugel over het dak gleed. Rond mijn vijftiende kreeg dat voorzichtige herstel een eigen geur en geluid. Mijn vader werd duivenmelker. Niet omdat alles voorbij was, en zeker niet omdat hij genezen was, maar omdat er opnieuw iets was waarvoor hij opstond, keek, wachtte, zorgde en sprak. De duiven brachten geen genezing, maar ze brachten leven rond het huis. Hun zachte koeren, het slaan van vleugels tegen de planken, het droge tikken van pootjes op de vloer van het hok: al snel hoorde het bij de adem van onze week. Er kwamen duiventillen, ringen, kloktijden en uitslagen; er kwam graan tussen vingers, stof op de jas en die gespannen stilte waarin

163 iedereen naar dezelfde lege lucht keek. Meer dan veertig jaar lang bracht dat ritueel ons bijna elke week samen: bij de hoop op een goede vlucht, bij het turen naar een stip boven het dak, bij de teleurstelling wanneer de duiven te laat thuiskwamen. Voor iemand die zich lang achter het raam had gehouden, werd het duivenhok een tussenruimte tussen huis en wereld. Langs de duiven kwamen er mannen aan huis, gesprekken aan het hok, namen, gezichten en nieuwe vrienden. Zonder grote woorden kreeg mijn vader opnieuw een kring waarin hij kon staan. Een duif in de hand was warm en levend, de borst snel onder de veren, de poten zorgvuldig tussen zijn vingers. Mijn vader keek nauwkeurig, zonder haast, alsof hij in dat kleine lijf iets las wat wij niet zagen. Soms volstonden deze dingen: een hok, het zachte geritsel van veren, een duif in de hand en samen naar de lucht kijken. Op zondagmorgen kwam de dichtste buur, ook een duivenliefhebber, al vroeg een koffie drinken en een kaartje leggen. Zo klonk het tenminste. In werkelijkheid zaten daar twee mannen die zogezegd rustig kaartten, maar ondertussen met één oor naar de radio luisterden. Ze wilden het niet direct toegeven, maar er zaten zenuwen onder de koffie. Elk bericht over de vlucht telde: waren de duiven al gelost, waren ze onderweg, hoe zat de wind? Hun kaarten lagen op tafel, maar hun gedachten vlogen al boven

164 Frankrijk. Dan begon het echte wachten. Naar buiten gaan mocht niet te vroeg, want dan stond je daar voor niets naar een lege lucht te kijken. Te laat was natuurlijk nog erger. Dus werd er gerekend, geschat, gemompeld en opnieuw naar de hemel gekeken. Een stip kon nog alles zijn; dan kantelde een vleugel in het licht en veranderde wachten in herkenning. Het hok kwam tot leven, mijn vader ook, al liet hij dat zo weinig mogelijk merken. Wie kwam voor de duiven, kwam gaandeweg ook voor hem. Aan het hok werden vluchten besproken, uitslagen vergeleken, duiven bewonderd of betwijfeld, maar tussen die gewone woorden groeide iets wat thuis lange tijd schaars was geweest: vanzelfsprekend contact. Mijn vader hoefde nergens uitleg over te geven. Hij kon praten over voer, wind, bloedlijnen en aankomsten, en precies daardoor stond hij opnieuw tussen mensen. Soms staat men het dichtst bij elkaar wanneer men samen naar dezelfde lucht kijkt. Naast mijn vader leerde ik dat aandacht ook een vorm van genegenheid kan zijn. Terwijl die zachte draad tussen ons bleef bestaan, begon mijn blik verder te reiken. De duiven leerden mij wachten op iets wat terugkeerde; zomeravonden leerden mij uitkijken naar iets wat nog moest beginnen. Bijna ongemerkt schoof mijn aandacht van het hok naar het hek, van vader en zoon naar

165 leeftijdsgenoten, meisjes die bleven staan en het vermoeden dat het leven groter werd dan huis, duivenlucht en school. Aan het hek Met de puberteit veranderde ook mijn blik op de wereld — en zeker op meisjes. Een klassieke adonis was ik niet, maar verzorging, houding en kleren konden iets doen. Ik hield ervan netjes voor de dag te komen: een goed hemd, gepoetste schoenen en haar dat niet zomaar alle kanten uit mocht. Die zorg was tegelijk pantser en uitnodiging. In de buurt bleef dat niet onopgemerkt. De meisjes gaven mij zelfs een bijnaam: Tofke. Plagerig bedoeld, maar ik droeg die naam met meer plezier dan ik liet merken. Mijn zelfvertrouwen was toen groter dan mijn ervaring, wat zelden een veilige verhouding is. Gelukkig wist mijn kapsel voorlopig van niets en deed het alsof het de zaak onder controle had. Met genoeg brillantine en overtuiging leek zelfs onzekerheid even in model te liggen. Onder dat keurige haar bleef ik vooral een jongen die hoopte dat niemand merkte hoe nieuw alles was. Op warme zomeravonden werd het hek bij ons thuis vanzelf een ontmoetingsplek. Jongens en meisjes uit de buurt kwamen langs, met de fiets aan de hand of leunend tegen hek

166 en muur. Er werd gepraat, gelachen, geplaagd en voorzichtig gekeken naar wie bij wie bleef staan. Een gesprek kon over niets gaan en toch de hele avond betekenen. Binnen waren mijn ouders en het vertrouwde licht. Buiten stonden stemmen, blikken en de belofte dat het leven groter werd. Het hek was geen grens die ons tegenhield, maar een plek waar we nog even konden blijven hangen tussen kind zijn en vertrekken. Precies daar begon de liefde zich aan te kondigen. Ik merkte ook wel dat niet alle blikken zomaar toevallig bleven hangen. Er werd onderling gemeten, gefluisterd en afgewacht, alsof mijn hart een prijsje op de kermis was waarvoor niemand zich openlijk aanmeldde, maar waar iedereen toch al eens had gekeken of het nog beschikbaar was. Soms voelde ik dat sommige meisjes elkaar liever een stap voor waren, al bleef alles verpakt in lachen, plagen en zogezegd onschuldige opmerkingen. Kalverliefde klinkt zacht, maar zelfs daarin zat al iets koppigs: een klein bezit willen nemen van iemand die zelf nog nauwelijks wist waar de deur van zijn eigen hart precies zat. Aan het hek leerde ik dus niet alleen dat liefde licht kon brengen, maar ook dat ze al vroeg met ellebogen kon werken — heel netjes, met een glimlach. Op een ijskoude avond in januari werd die verwachting werkelijkheid. Ik mocht naar het traditionele Eindejaarsbal, het

167 bal van ‘Win je wagen’: tombola’s, affiches, een orkest, een dansvloer en de droom dat iemand met een auto naar huis zou gaan. Zelf had ik voorlopig vooral vervoer in mijn schoenen zitten. Bert ging mee, waardoor de stap naar die grotere wereld net iets minder alleen voelde. Waar men anders naar films keek, vulden nu muziek, licht, parfum, sigarettenrook en verwachting de zaal. Jassen verdwenen aan de kant; de kou bleef buiten. En dan was er Will Tura. Terwijl zijn muziek door de ruimte ging, werd de belofte van het hek een ontmoeting met een naam. Daar stond ik plots, alsof ik tegelijk moest dansen, praten en doen alsof mijn handen al wisten wat ze moesten doen. Ik zag haar tussen licht, muziek en drukte. Ik was zestien, zij vijftien. Ik sprak haar aan en we dansten. Wat ik precies zei, weet ik niet meer; waarschijnlijk iets wat in mijn hoofd beter klonk dan op de dansvloer. Ik herinner mij vooral de aandacht waarmee zij bleef luisteren. Belangrijker dan de juiste zin was dat ik durfde te blijven staan, dat zij niet wegkeek en dat de muziek ons even dichter bij elkaar bracht zonder dat we daar meteen iets groots van hoefden te maken. Zij werd mijn lief, daarna mijn vriendin en later mijn vrouw. In 1977 zijn we getrouwd. Later kwamen er twee dochters, drie kleindochters en een kleinzoon bij. Meer dan een halve eeuw later staat zij nog altijd aan mijn zijde. Soms begint een heel leven in een zaal

168 waar je dacht alleen maar te gaan dansen. Je herkent het begin pas wanneer je er lang genoeg samen van bent weggegaan. Rik Juist omdat dat vierde middelbaar zoveel licht in zich droeg — uitgaan, nieuw zelfvertrouwen en eerste liefde — kwam het verlies dat erop volgde des te harder aan. In datzelfde jaar verloor ik Rik. Hij was een stille jongen met een zacht karakter. Hij dacht vaak dat ik slimmer was dan hij, maar dat was niet zo. Misschien zag hij mijn zekerheid en zag ik bij hem juist iets wat ik zelf niet had: rust, bescheidenheid, ruimte voor een ander. Het was de jongen die aan het bruggetje zijn hand had opgestoken om ons stil te krijgen, en naar wie wij toen allemaal tegelijk luisterden. Ik zag in hem vooral een vriend bij wie ik niets hoefde te bewijzen, iemand naast wie zwijgen niet leeg voelde, maar vertrouwd. Sommige vriendschappen hebben geen grote woorden nodig, precies omdat ze daardoor veilig zijn. Op woensdagnamiddagen studeerden we samen en vroegen we elkaars lessen op. De ene stelde een vraag, de andere zocht, aarzelde of wist het antwoord. Zo gewoon was het. Toen hij afwezig bleef, hield ik zijn plaats in mijn hoofd nog vrij, alsof afwezigheid tijdelijk moest zijn. Op zo’n namiddag hoorde ik de doodsklokken van de kerk. Het geluid verspreidde zich over

169 het dorp zoals altijd, maar deze keer raakte het me persoonlijk. Kort daarna vernam ik dat Rik gestorven was na een operatie. Vanaf dat ogenblik was zijn afwezigheid geen wachten meer, maar verlies. Het was alsof er in mijn jonge wereld plots een stoel bleef staan waar niemand nog op ging zitten. Zijn sterfdag en begrafenis staan diep in mijn geheugen gegrift. Tijdens zijn uitvaart moest ik als beste vriend een tekst voorlezen. Wat ik toen precies gezegd heb, weet ik niet meer woord voor woord. Ik herinner mij vooral het papier in mijn handen, mijn blik die ergens boven de mensen bleef hangen en mijn stem die beefde terwijl ik toch verder moest. De woorden waren plechtig en veel te groot voor een jongen van die leeftijd. Rouw kwam niet als een inzicht, maar als iets lichamelijks: papier dat niet stil wilde blijven, een keel die dichtging, ademhalen en toch de volgende zin zoeken. Terwijl ik las, zat ik in gedachten nog naast Rik op woensdagnamiddag, boven onze boeken, in die stille vanzelfsprekendheid van een vriendschap waarvoor wij nooit veel uitleg nodig hadden. Nu moesten er plots wel woorden zijn. Zijn moeder bleef later jarenlang bij mijn ouders op bezoek komen; die bezoeken hielden de band tussen onze gezinnen levend. Zij bracht haar zoon niet terug, maar zijn naam hoefde daardoor ook niet te verdwijnen. Terwijl ik bezig was met school, punten, uitgaan

170 en eerste liefde, kwam de dood midden in die jonge wereld staan. En toch herinner ik mij ook hoe wij die ochtend onze schoenen hadden gekuist en onze haren beter lagen dan gewoonlijk, alsof nette schoenen en een rechte scheiding een jongen konden helpen iets veel te groots uit te spreken. Misschien was dat het enige wat we konden doen: zorg besteden aan het kleine omdat het grote niet te bevatten was. Dat jaar bleef onvergetelijk, omdat het twee ervaringen naast elkaar zette die elkaar nooit hebben uitgewist: de eerste liefde en het eerste grote verlies. Het ene maakte het andere niet lichter, en het donker nam het licht niet weg. Op Riks begrafenis merkte ik hoe woorden soms te klein zijn en toch uitgesproken moeten worden. Daarna schoof de humaniora naar haar einde. Wat begonnen was als loskomen, werd leren vasthouden en loslaten tegelijk: aan een meisje, aan een vriend, aan een jeugd die langzaam haar laatste banken naderde. Veel later begrijp ik dat volwassen worden misschien daar begon: niet bij vrijheid alleen, maar bij het besef dat vreugde en verdriet in hetzelfde leven moeten wonen, en dat een mens beide leert dragen zonder een van de twee te verloochenen.

171 Hoofdstuk 13 – De laatste banken voor de wereld openging Laatste jaren Na dat jaar van liefde en verlies kwamen de laatste twee jaren van de humaniora. Ik volgde Wetenschappelijk A, met wiskunde als zwaar middelpunt: tien uur per week, krijtstof op het bord en schriften vol formules waarin elke fout rood terugkwam. Cijfers en bewijzen boden houvast, juist omdat het leven daarbuiten zich minder netjes liet ordenen. De laatste banken voelden vertrouwd en voorlopig tegelijk: nog even leerling zijn, terwijl de wereld al voor de deur stond. Twee leerkrachten bleven mij bij. De ene was een geestelijke met een bijnaam die iedereen kende. Hij kwam haast in draf de klas binnen, alsof de wiskunde hem op de hielen zat: boeken neer, krijt in de hand, en meteen verschenen lijnen, tekens en bewijzen op het bord. Zijn proeven bestonden vaak uit twee vragen, met weinig ruimte tussen juist en fout; een redenering die wankelde, haalde zelden de overkant. De andere gaf Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde, en bracht dus drie werelden tegelijk mee de klas binnen. Bij hem kon een rivier plots belangrijk worden, een komma een grenspaal en een jaartal een koppig beest dat liever ergens anders stond. Vanuit mijn bank kon ik toen nog niet vermoeden dat hij later mijn

172 directeur zou worden: dat wij jarenlang zouden samenwerken, elkaar zouden vertrouwen in het dagelijkse bestuur van de school en dat uit die samenwerking een goede vriendschap zou groeien. Wie toen vooraan stond met een krijtje en een landkaart, zou mij veel later naast zich zetten aan dezelfde tafel. Toch bleven Frank en ik trouwe babbelaars. Drie jaar lang, van het vierde tot het zesde middelbaar, zaten we vaak naast elkaar zolang men ons die plaats liet behouden. Zijn bijnaam, Ché, verwees naar Guevara, symbool van verzet en idealisme. Revolutionair waren wij niet; daarvoor zaten we te braaf tussen banken, schriften en formules, met hoogstens een potlood als wapen en een fluisterstem als manifest. Als Ché zijn schrift opensloeg, leek het even alsof de revolutie begon met een meetkundige constructie. Wie in Wetenschappelijk A zat, wist nu eenmaal dat zelfs een opstand eerst bewezen moest worden. Die laatste jaren hadden een eigen sfeer. De banken kenden onze ellebogen en hier en daar stond een naam in het hout gekrast. Wij zaten er nog, maar met het lichaam al half naar buiten gedraaid. In de gangen klonken dezelfde voetstappen als vroeger; toch hing er meer toekomst tussen: examens, studiekeuzes en het besef dat wat jarenlang vanzelfsprekend was, zou ophouden. Buiten veranderde het dorp niet plots. Wij wel.

173 Verlangen op afstand Ook in die laatste jaren bleef mijn lief dicht bij mij, al konden wij elkaar niet voortdurend zien of spreken. Er was geen gsm, geen snel bericht tussendoor, geen auto waarmee je zomaar vertrok. Afstand was toen nog echt afstand: wachten op papier in een envelop, het geluid van de brievenbus herkennen en een brief zo vaak openvouwen dat de vouwen zachter werden. Zij werd iemand naar wie mijn gedachten vanzelf terugkeerden, zelfs boven mijn wiskunde of onderweg naar school. Die afstand werd kleiner met trappen, wachten en korte ontmoetingen. In het weekend reed ik soms met de fiets naar haar toe. Heen en terug was dat ongeveer dertig kilometer: in de liefde geen afstand, maar bewijsvoering. Wind tegen, zadelpijn, natte kousen — elke trap telde mee. Soms kon zij thuis op een onbewaakt moment even ontsnappen, en dan stonden we daar, ergens tussen voordeur, straat en familiecontrole, alsof wij een grens overstaken waarvoor niemand een paspoort had uitgevonden. Tijdens de examens kwamen er extra kansen: als we ’s middags naar huis mochten, werd de studieplanning plots soepel geïnterpreteerd. Een korte ontmoeting kon genoeg zijn om de rest van de dag lichter te maken, al keek mijn wiskundeschrift later weinig begripvol toe.

174 Bij haar hoefde ik niet de beste van de klas te zijn. Zij zag mij niet als een rapport, maar als iemand die zoekend en onhandig volwassen werd. De weg naar haar rook naar avondlucht, nat gras en zomerstof. Langs grachten, lage huizen en velden waar het laatste licht bleef hangen, bracht elke trap mij dichter bij haar en verder weg van de jongen die vooral met cijfers en verwachtingen had geleefd. Juist daardoor voelde het einde van de humaniora dubbel: mijn gedachten gingen vaak naar haar toe, terwijl op school de rituelen naderden die een afscheid moesten markeren — en precies daar begon iets te ontbreken. Gemiste rituelen Er hadden in die laatste jaren ook grote schoolrituelen moeten zijn. De honderd dagen bijvoorbeeld, het feest waarmee laatstejaars hun afscheid beginnen te vieren. In mijn herinnering zijn het de vergeten honderd dagen. Misschien gingen ze voorbij zonder de uitbundigheid waarop je hoopt, misschien waren wij al te veel bezig met examens en toekomst. Wat bij anderen een hoogtepunt is, bleef bij mij een lege plek in de laatste schoolmaanden. Een gebeurtenis die wél bleef hangen, speelde zich af op weg naar school. In dat laatste jaar reed iemand uit Hoekzele ons met de auto. Op de brug over de autoweg miste hij een

175 bocht. Er was dat korte schuiven, de klap, het plots stilvallen van stemmen. Gelukkig vielen er geen zware verwondingen, maar ik hield er een hersenschudding en kneuzingen aan over. Net toen kwam de Rome-reis van de laatstejaars dichterbij. Door die hersenschudding kon ik niet mee. Terwijl de anderen hun koffers sloten, adressen noteerden en vertrokken in de drukte van het gezamenlijke afscheid, bleef ik thuis met een hoofd dat nog nazinderde. Zo miste ik niet alleen een reis, maar ook het afscheid dat bij het laatste jaar had moeten horen. Mijn humaniora eindigde niet met triomf of met één helder slotbeeld, maar met wat ontbrak: de vergeten honderd dagen, de gemiste Rome-reis, een afscheid dat anderen samen beleefden. Wat ik wel had, stond op geen enkel programma: dertig kilometer heen en terug, een brief die zachter werd van het openvouwen, iemand die mij niet als een rapport bekeek. Het voelde minder als een poort die openging dan als een deur op een kier. De hoofdstad wachtte: tramgerinkel, natte kasseien, hoge gevels en stemmen die niet meer naar het dorp klonken.

176 Hoofdstuk 14 – De cirkel rond De hoofdstad Wat vooruit leek, begon in 1974. Na de humaniora trok ik naar de normaalschool in de hoofdstad, waar ik Wiskunde- Fysica-Economie volgde. De stad rook naar natte stenen, tramsporen en drukke gangen; stemmen kaatsten er anders dan in Hoekzele. Ik dacht dat afstand vanzelf helderheid zou brengen, alsof het verleden achterbleef zodra de trein ver genoeg reed. Maar de hoofdstad werd geen breuklijn. Ze werd een tussenstation. Ik ging vooruit, met het verleden ergens tussen mijn schouders. Terug naar de school Na dat eerste jaar kwamen de geestelijken opnieuw bij mij langs. Of ik niet wilde komen werken als studiemeester van de katholieke school, vroegen ze. Ze wisten dat mijn vader ziek was en dat extra inkomen thuis welkom was. Zo raakte de omweg opnieuw verbonden met de school van vroeger. Hun vraag ging niet alleen over werk. Ze vroeg ook om trouw aan mijn gezin, aan die plaats en aan een verleden dat nog niet klaar was met mij. Ik aanvaardde deze rol uit verbondenheid, vertrouwen en het gevoel dat ik thuis iets kon betekenen. Achteraf zie ik hoe

177 dubbel die stap was. Ik keerde terug naar een plaats die mij had opgetild én beschadigd, naar mensen die kansen hadden gegeven én naar gangen waar iets in mij was blijven zwijgen. Je verlaat een school niet eenvoudig wanneer ze tegelijk kans, wond en wortel is. Ik begon als studiemeester en leerde de school van de andere kant kennen: niet meer als jongen in de bank, maar als volwassene die toezicht hield, luisterde en mee zorgde dat het dagelijkse schoolleven bleef draaien. Dezelfde gangen klonken anders wanneer je er niet langer doorheen liep met boeken onder de arm, maar met sleutels, verantwoordelijkheid en het besef dat andere jongens nu naar jou keken. Stap voor stap groeide mijn taak. Ik volgde bijkomende opleidingen, kreeg meer verantwoordelijkheid en werd uiteindelijk huismeester-opvoeder. Levenslang leren was toen al mijn motto, al noemde ik het gewoon blijven bijleren. Wat als praktische oplossing begon, werd een loopbaan die mij opnieuw met de school verbond — soms helend, soms belastend, altijd dichterbij dan ik vooraf had gedacht. In dat werk draaide iets van vroeger mee: de wil om nuttig te zijn, te zorgen en geen last te veroorzaken. Dat had ik thuis geleerd, bij een zieke vader en een moeder die bleef doorgaan,

178 maar ook in een schoolwereld waar gehoorzaamheid lange tijd een deugd heette. Werk en verandering Dat betekende aanwezig zijn in het dagelijkse leven van de school: tussen leerlingen, administratie, orde, praktische problemen en alles wat buiten de lessen om geregeld moest worden. Wanneer de directie afwezig was, nam ik tijdelijk haar verantwoordelijkheden op mij en zorgde ik ervoor dat alles ordelijk verliep. Zo werd ik opnieuw deel van het huis, maar nu aan de andere kant van de lessenaar, met meer zicht op wat school draaiende houdt en op wat ze van mensen kan vragen. In mijn vroegere taakomschrijving stond één zin die voor mij altijd de kern bleef: “Hij moet waken over het beheer en het gebruik van de financiën zoals een goede huisvader.” Daarin zat meer dan administratie. Het ging om zorgvuldigheid, zuinigheid, verantwoordelijkheid en het besef dat geld van een school nooit zomaar cijfers op papier waren, maar middelen die met vertrouwen aan iemand werden toevertrouwd. Dat klonk deftig genoeg om er vanzelf rechter van te gaan zitten; thuis had niemand mij ooit officieel tot goede huisvader benoemd.

179 Tegelijk kwam de computer de school binnen. Voor mij ging er een deur open. Ik specialiseerde mij erin, gaf ICT-les en hielp leerlingen, leerkrachten en ouders vertrouwen krijgen in een wereld die snel veranderde. Onder de vlag van een vormingscentrum in de hoofdstad maakte ik ouders en leerkrachten wegwijs met computers en toepassingen. In het lokaal stonden de toestellen in rijen, met achteraan spiegels, zodat ik kon zien of leerlingen niet op andere sites zaten. ICT werd zo niet alleen een kwestie van kabels en toetsenborden, maar ook van achteruitkijken zonder je om te draaien. Die nieuwe kennis gaf mij energie. Ze maakte mijn taak ook breder, alsof elke kabel nog een verantwoordelijkheid meetrok. Gedurende twee jaar kwam daar nog een praktische verantwoordelijkheid bij: alle technische problemen met computers, beamers en randapparatuur kwamen in eerste instantie bij mij terecht. Kabels die niet deden wat ze moesten doen, schermen die zwart bleven en beamers die pas koppig werden wanneer de les begon: ook dat hoorde plots bij mijn schooldag. Uiteindelijk namen twee leerkrachten die technische ondersteuning deeltijds over. Pas toen voelde ik hoeveel er onderweg ongemerkt bij mijn taak was gekomen. In die jaren leerde ik dat technische problemen zelden op een rustig moment kwamen. Een beamer weigerde vooral

180 dienst wanneer er publiek zat te wachten, een scherm bleef zwart zodra de les moest beginnen en elke storing leek precies te weten wanneer mijn dag al vol genoeg was. Na vele jaren veranderde de school door een fusie. Op papier ging het over grotere structuren en nieuwe mogelijkheden. Voor mij voelde het ook als verlies. Gangen, namen en gewoonten die houvast hadden gegeven, werden minder vertrouwd. De school werd groter, drukker en complexer. Wat ooit een huis had geleken, kreeg meer gangen dan kamers. Langzaam vroeg ze meer van mij dan ik kon dragen. Vanaf dat moment verschoof de spanning van herinnering naar draagkracht. De vraag was niet langer alleen wat vroeger met mij was gedaan, maar hoeveel plicht een mens kan blijven opnemen voordat hij zichzelf kwijtraakt. Wat eerst trouw leek, werd langzaam een grens die ik te laat herkende. De grens De fusie luidde geleidelijk het einde in van mijn loopbaan op de plek die zo lang mijn wereld was geweest. Ik kreeg de vraag om de boekhouding van de gefusioneerde school te leiden, en ik aanvaardde die, zoals ik zo vaak had gedaan: uit plichtsgevoel en loyaliteit. Juist daarin schuilt het gevaar. Wat

181 ik uit trouw opnam, werd gaandeweg te zwaar om gezond te dragen. Soms begint overbelasting niet met verzet, maar met telkens opnieuw ja zeggen. Op sommige dagen dacht ik nog altijd kinderlijk eenvoudig: als ik mijn bureau maar leeg kreeg, zou mijn hoofd vanzelf volgen. Alleen bleek papier beter stapelbaar dan zorgen. De combinatie van boekhouding, computerlessen en bijkomende taken werd steeds zwaarder. Vaak kwam ik pas om vier uur in de namiddag echt aan de boekhouding toe. Anderen sloten hun dag al af; ergens werd een kop koffie verdiend. Voor mij begonnen de cijfers dan pas rechtop te zitten: facturen, rekeningen, controles, bestanden, vragen. Alles vroeg tegelijk aandacht. De dag had al lang genoeg geduurd, maar de boekhouding gedroeg zich alsof avonduren gewone werkuren waren. Tegenover anderen deed ik daar soms stoer over. “Er zitten toch vierentwintig uren in een dag,” zei ik, alsof tijd alleen harder gebruikt moest worden. Het klonk flink, bijna sportief, maar het was een gevaarlijke rekensom. Wie elk uur wil benutten, vergeet dat een mens geen schoolagenda is. Via de verbinding naar huis verhuisde het werk mee: naar avonden, nachten, keukentafel en bureau. De school ging niet meer dicht wanneer ik de deur achter mij sloot. Vermoeidheid stapelde

182 zich op, tot ik onderweg het verschil verloor tussen inzet en zelfverbranding. Toen zei mijn lichaam wat ik zelf niet meer durfde zeggen: genoeg. Sommige directe collega’s vonden dat ik te veel op mij nam. Achteraf klonk het zelfs alsof ik het mezelf had aangedaan. Dat raakte mij, misschien omdat er een kern van waarheid in zat: ik had te lang gedacht dat plicht sterker moest zijn dan vermoeidheid. Stress had mij eerder al parten gespeeld. In mijn eerste jaar hoger onderwijs kreeg ik er zelfs voor één vak een herkansing door. Toen kwam ik erdoorheen en ging ik verder, zoals ik later zo vaak zou doen. Maar het was een vroeg teken: mijn lichaam en hoofd kenden grenzen, ook wanneer ik die zelf liever negeerde. Pas later begreep ik beter hoe diep die spanning had ingegrepen. Stress bleef bij mij niet alleen in het hoofd zitten; ze kroop ook in mijn lichaam: in slaap, energie, gewicht en hormonen. Gaandeweg kwam er een aandoening bij die vaak achteloos wordt verklaard met te weinig beweging, te veel eten of verkeerde gewoonten. Dat kan allemaal meespelen, maar zelden vraagt men wat jarenlange spanning met een lichaam doet. Voor mij hoorde die aandoening ook bij hetzelfde verhaal: niet als excuus, maar als spoor van jaren waarin mijn lichaam alarm sloeg terwijl ik nog probeerde door te gaan.

183 De breuk kwam niet als één dramatische val. Ze was al langer bezig: eerst vermoeidheid, dan mist, ten slotte instorting. Een forse burn-out volgde, met ziekenhuisopname en negen maanden ziekteverlof. Rust werd geen luxe meer, maar noodzaak. Niet sneller herstellen, maar lang genoeg stilvallen: daar begon voorzichtig iets opnieuw. Wat later volgde, wil ik niet als een donker hoofdstuk vertellen, maar als een botsing tussen inzet en grens. Ik had mijn school niet willen verlaten en zeker niet willen beschadigen. Toch kwamen er, juist toen ik zelf nauwelijks overeind stond, harde stemmen: dat het mijn eigen schuld was, dat ik de school in de steek liet, zelfs dat er misschien iets niet klopte met de boekhouding. Het waren loze bedenkingen van mensen die vooral de buitenkant zagen. Later verloren die woorden hun kracht. De afscheidsrede van mijn directeur bij mijn pensioen liet zien wat mijn werk werkelijk had betekend: jaren van inzet, zorg en verantwoordelijkheid. Mijn binnenwereld kreeg gaandeweg woorden: aanleg, depressie, kwetsbaarheid, een zwaarte die niet uit één gebeurtenis te verklaren was. Men noemde het endogeen*, alsof het van binnenuit kwam. Dat woord klonk eerst als een vonnis, later ook als een vorm van begrip. Wat ik burn-out noemde, stond niet los van de man die ik was geworden, maar

184 evenmin van het kind dat vroeg had geleerd te verbergen, vol te houden en verder te gaan. Zo werd duidelijker waarom ik grenzen vaak te laat voelde en waarom hulp vragen moeilijk bleef voor iemand die vooral bruikbaar wilde zijn. Buiten mijn eigen gezin hebben maar weinig mensen echt begrepen wat dat betekende. Zelfs mijn moeder kon moeilijk vatten dat dit geen gewone neerslachtigheid was en ook geen kwestie van wilskracht. Dat ik al tientallen jaren consequent medicatie neem om stabiel te blijven, bleef voor velen abstract. Voor mij werd het een dagelijkse vorm van zorg: een vaste afspraak met mijn eigen evenwicht. Opnieuw adem In die periode hielp de fiets mij langzaam terug te keren naar mezelf, maar ik deed dat niet alleen. Mijn vrouw en kinderen hielden mij vast door er te zijn, door gewone dagen overeind te houden, door mij niet samen te laten vallen met mijn instorting. Eerst reed ik voorzichtig, later langer en met meer vertrouwen. Wind tegen, bochten, ademhaling en ritme maakten mijn hoofd leger. Later kwamen ritten van honderd kilometer en beklimmingen in de Vogezen erbij. Niet omdat ik ineens een held op twee wielen was, maar omdat elke helling eerlijk was: ze vroeg inspanning, geen verklaring. De fiets genas mij niet in één keer. Mijn gezin evenmin. Samen gaven ze mij

185 wegen om op te rijden en een deur die openbleef wanneer ik terugkwam. Ik werd nooit meer helemaal zoals vroeger. Maar na die breuk kwam onverwacht opnieuw een vorm van terugkeer. De fiets had mij geleerd dat vooruitgaan soms met kleine trappen begint. Dezelfde onderwijswereld die mij had uitgeput, reikte ook opnieuw een hand. Ik keerde terug naar de hoofdstad, niet meer als jonge student, maar als vijftiger, met ervaring, littekens en kennis van scholen van binnenuit. Ik kwam er niet om mijn plaats te zoeken, maar om met wat ik had meegemaakt nog iets te betekenen, zonder mezelf opnieuw te verliezen. De laatste zeven jaar van mijn loopbaan kreeg ik daar een bureau met een raam, een agenda die 's avonds dichtging en collega's die mijn jaren niet als ballast bekeken, maar er iets aan hadden. Alleen al de benaming van mijn nieuwe job, “Stafmedewerker voor het gewoon onderwijs”, wekte hier en daar wat afgunst. Soms werd gesuggereerd dat ik die plaats aan een lange arm te danken had. Ik hoorde dat, maar wist beter. Wat mij daar bracht, waren jarenlange ervaring, opgebouwde kennis, vertrouwen van mensen die mijn werk kenden en de

186 hardnekkigheid waarmee ik telkens opnieuw was blijven rechtstaan. Dankbaarheid en pijn Vanaf mijn veertiende begon langzaam tot mij door te dringen wat er in het zesde leerjaar met de geestelijken was gebeurd. Vanaf toen liep er een tweede draad door mijn leven. Naast dankbaarheid kwam pijn te liggen. Dankbaarheid, omdat zij mij kansen hadden gegeven, mij hadden gevormd, mij werk hadden aangeboden en mij later opnieuw hielpen rechtkrabbelen. Pijn, omdat dezelfde wereld ook had gezwegen, toegedekt en beschadigd. Dat naast elkaar bestaan maakte alles moeilijker. Dankbaarheid wist de pijn niet uit. Ze maakte het alleen moeilijker te ordenen. Binnen die wereld waren er mensen die mij werkelijk goed hebben gedaan. Dat wil ik niet uitwissen. Juist daardoor werd de woede ingewikkelder: woede om wat gebeurd was, om wat verzwegen bleef en om dingen waarvan ik wist dat ze niet klopten, maar waarover toen niet gesproken werd. Die gevoelens lagen niet ordelijk naast elkaar. Ze schuurden, botsten en trokken jarenlang aan elkaar. Die tweestrijd bleef niet beperkt tot herinnering. De gedachte aan het zesde leerjaar bleef onder mijn school- en

187 werktijd sluimeren: soms nauwelijks merkbaar, soms plots scherp aanwezig. Juist het dubbele beeld van de geestelijken maakte dat moeilijk. Zij konden goed zijn, zorg dragen, kansen geven en mensen helpen rechtstaan. Maar in dezelfde wereld had ik ook gezien hoe macht kon verkeren in iets verdorvens, hoe zorg en misbruik onder één dak konden bestaan. Die spanning keerde terug telkens wanneer ik door dezelfde gangen liep, in dezelfde taal van dienstbaarheid, vertrouwen en gehoorzaamheid. Ze werd een onderstroom: oud weten dat nooit helemaal zweeg en soms zwaarder werd dan ik zelf kon uitleggen. Ik liet daar zelden iets van merken. Op mijn werk probeerde ik meestal de “vrolijke Frans” te zijn: iemand die opdrachten met een kwinkslag uitvoerde, alsof lichtheid vanzelfsprekend was. Achteraf zie ik dat ook als een masker: vriendelijk en bruikbaar, maar niet altijd eerlijk tegenover mezelf. Pas bij mijn dichtste collega’s durfde ik later vertellen wat er onder die vrolijkheid meespeelde. Die vrolijke Frans had soms meer diensturen dan gezond was, maar hij kwam doorgaans op tijd opdagen en wist zelfs bij slecht nieuws nog ergens een kwinkslag uit zijn jaszak te halen. Jaren later bracht een televisiereeks over misbruik binnen de Kerk opnieuw beweging in wat toegedekt was gebleven. Ik

188 keek als volwassen man, maar wat naar boven kwam, was niet alleen volwassen begrip. Er kwamen gangen mee, banken, stemmen, zwijgende kinderen en het oude gevoel dat je iets wist waarvoor niemand toen woorden had. Het ging niet alleen over afzonderlijke daders, maar over een wereld van gezag, gehoorzaamheid, schaamte en wegkijken. Wat jarenlang ondergronds had voortgeleefd, kreeg plots een publieke taal. Dat maakte het niet lichter, maar wel minder eenzaam. Toen de stilte op televisie brak Die publieke taal brak niet alleen een maatschappelijke stilte, maar ook mijn eigen stilzwijgen. Door de getuigenissen die ik hoorde, kon ik niet langer doen alsof wat ik wist alleen van mij was. Voor het eerst voelde ik dat er geluisterd werd zonder meteen weg te kijken. Wat wij als kinderen hadden meegemaakt, werd niet langer weggeschoven of verkleind. Het verleden verdween niet, maar het stond niet meer alleen in mij. Daarna volgde bemiddeling. Er kwamen moeilijke gesprekken waarin geluisterd, erkend en gezocht werd naar een manier om met dat verleden om te gaan. Uiteindelijk kwam er een officiële regeling, maar belangrijker was dat iemand hardop bevestigde wat zo lang zonder plaats was gebleven. Geen gesprek geeft een kindertijd terug. Geen regeling maakt ongedaan wat gebeurd is. Toch deed erkenning iets: ze haalde

189 het verleden uit de schaduw en legde het neer op een plaats waar ik het niet meer alleen hoefde te dragen. Als ik nu terugkijk, zie ik geen rechte lijn. Ik zie Hoekzele, de schooljaren en de hoofdstad telkens opnieuw opduiken: huizen, gangen, fietsen, klaslokalen en stemmen die ik achter mij dacht te hebben gelaten. Daar liggen kansen en wonden, mensen die mij hielpen en mensen die mij beschadigden. Niets daarvan laat zich netjes scheiden. Een leven is geen boekhouding die op nul moet uitkomen. Sommige rekeningen blijven open. Herinneren betekent dan niet alles verklaren, maar toelaten dat wat lang door elkaar liep eindelijk ergens mag rusten. Ook mijn vader hoort in die cirkel thuis. Zijn ziekte liep er niet als een groot drama doorheen, maar als een zachte, blijvende lijn: een raam, een moestuin, een duivenhok, een zaterdagmiddag met een rapport op tafel. Misschien leerde ik daar al vroeg hoe liefde aanwezig kan blijven terwijl iemand zichzelf dreigt kwijt te raken. Ook dat wil ik bewaren: de wond en de levenskracht, het zwijgen en de stemmen die mij hielpen. Hoekzele, de schooljaren, de hoofdstad en mijn familie blijven deel van dezelfde cirkel. Nu ik die cirkel zie, hoeft hij mij niet langer vast te houden. Hij is geen muur meer, maar een weg terug

190 naar dezelfde grond, dezelfde gevel, hetzelfde begin: het huis van mijn moeder. Ik ben er nog niet. Ik sta pas aan het einde van de straat.

191 Epiloog – Wat liefde niet durfde zeggen Ik sta er opnieuw, voor de gevel in het late licht. Achter het glas brandt een lamp, alsof er binnen nog altijd op het uur wordt gelet. Mijn weg eindigt niet bij een instelling, een dossier of een regeling, maar hier: bij een deur, een dorpel, een huis dat mij langer heeft gedragen dan ik toen kon begrijpen. Wat onderweg hard werd, wordt hier niet opgelost. Het wordt zachter. Soms is zwijgen niet langer een manier om iets te verbergen. Soms is het de laatste, enigszins onhandige vorm van beschermen. Het huisje van mijn jeugd is verdwenen, maar in mij staat het er nog: met zijn geuren, stemmen en kamers waarin meer werd aangevoeld dan gezegd. Bijna zeventig jaar later weet ik dat een mens ver kan gaan en toch het kind blijft dat ooit tussen die muren begon. Die jeugd was, alles bij elkaar, niet ongelukkig. Er was warmte, spel, familie en de gewone vreugde van dagen die niets bijzonders hoefden te bewijzen. Er was genoeg licht om de schaduw niet het laatste woord te geven.

192 Later begreep ik dat wat geen taal vindt, niet vanzelf verdwijnt. Het kan zich stil in een lichaam nestelen en jaren wachten. Ook dat draag ik mee, niet als een donker besluit, maar als iets wat eindelijk niet meer alleen gedragen hoeft te worden. Buiten mijn gezin en enkele mensen op school begreep bijna niemand hoe iemand door zijn werk kon instorten. Van buitenaf leek alles goed geregeld: een vaste baan, een behoorlijk salaris, veel vakantie — dat laatste klonk altijd als een afdoende medische verklaring. Daarachter lagen de druk, de rusteloze avonden en een lichaam dat op een dag niet meer wilde onderhandelen. Mijn moeder begreep het ook niet helemaal. Zij kwam uit een wereld waarin men voortdeed, zweeg als het moest en droeg wat op tafel kwam. Ik neem haar dat niet kwalijk. Misschien blijft dit huis mij roepen omdat zij er nog woont. Niet als bewaakster van vroeger, maar eenvoudigweg als mijn moeder. Zolang zij daar is, blijft het begin bereikbaar, met wat het gaf en wat het niet kon geven: beschutting en beperking, zorg en gemis. Ze is tweeënnegentig, wat kleiner geworden en minder goed ter been, maar nog altijd vastbesloten alleen te wonen. Voor mij is zij groter dan ze zelf vermoedt. Haar

193 genegenheid zat zelden in grote zinnen. Ze zat in brood snijden, lakens wassen, kinderen aankleden, op tijd aan het station staan en doorgaan omdat er nu eenmaal moest worden doorgegaan. Mijn leven rust nog altijd op die alledaagse trouw. Er is één waarheid die ik haar nooit echt heb verteld. Niet omdat ze minder waar wordt wanneer ik haar inslik, maar omdat ik haar het verdriet wil besparen om wat zij niet heeft kunnen voorkomen. In dit boek kregen gebeurtenissen woorden die ze toen niet hadden. Papier kijkt niet terug. Een moeder wel. In haar ogen zou meteen die ene vraag verschijnen: waarom heb ik het niet gezien? En wat zou ik haar anders kunnen antwoorden dan dat een kind soms heel bedreven wordt in verdwijnen zonder weg te gaan. Daarom kijk ik, wanneer ik aankom, eerst naar haar raam. Ik kijk naar de gordijnen en de kleine tekenen dat de wereld binnen nog op haar vertrouwde plaats staat: een brandende lamp, een stoel die niet is verzet, en haar schaduw die even voorbijgaat. Dit boek is geen verklaring aan haar adres. Eerder een omweg naar haar toe, langs het dorp, de school, de kansen en de wonden. Aan het einde blijft geen aanklacht over,

194 alleen een zin die ik misschien nooit hardop zal zeggen: moeder, ik heb toen niets verteld, maar ik ben het nooit vergeten. Bij haar wordt mijn stem nog altijd kleiner. Niet alleen uit oude voorzichtigheid, ook uit tederheid. Ik ben haar zoon; zij is de vrouw die mij wilde behoeden met de middelen die ze had. Nu wil ik haar sparen zonder mezelf nog uit te wissen. Dat is geen keurige verzoening. Het is liefde die de waarheid niet langer hoeft weg te duwen om te kunnen blijven. Ik open het hek en loop het korte pad op. Achter het raam beweegt iets; misschien heeft ze mij al gezien. De deur gaat niet meteen open — ze is tweeënnegentig en haast heeft hier eindelijk afgedaan. Dan verschijnt ze in de opening, kleiner dan vroeger en toch precies groot genoeg om het hele huis te vullen. Het licht valt langs haar heen naar buiten. Ik stap over de drempel. Zij zegt mijn naam. En ik kom thuis.

195 Bronnen en geraadpleegde sporen Dit boek is in de eerste plaats uit herinnering geschreven: uit wat ik zelf meedraag en uit wat binnen familie, buurt en dorp werd doorverteld. Waar ik archieven, oude woorden, plaatsnamen en lokale sporen raadpleegde, deed ik dat niet om herinnering vast te spijkeren, maar om haar voorzichtiger in haar landschap te plaatsen. Daarom vermeld ik de bronnen niet als zware wetenschappelijke lijst, maar als sporen die onderweg houvast boden. Ook hier blijft voorzichtigheid nodig: namen, plaatsen en details die mensen herkenbaar kunnen maken, worden terughoudend behandeld. Enkele concrete sporen worden toch vermeld, omdat ze rechtstreeks hielpen bij plaatselijke taal en context: het Dialectwoordenboek Zuidwest-Meetjesland en omstreken van Tineke De Pauw en Erik Wille, en de bronnen van Erfgoed Aalter en het digitale archief van Land van de Woestijne voor lokale geschiedenis, plaatsnamen en heemkundige achtergrond. Daarnaast hielp de Inventaris Onroerend Erfgoed bij het situeren van het Bulskampveld en van het voormalige rijksopvoedingsgesticht op Sint-Pietersveld, en de Werkplaats immaterieel erfgoed bij het beschrijven van dorpsgebruiken

196 zoals het vinkenzetten en de volkssport krulbol. Voor het hoofdstuk over de stilte die op televisie brak, gaf de documentairereeks Godvergeten (VRT Canvas, 2023) de bredere context waarin ook mijn eigen herinnering eindelijk taal kreeg. Kerncategorieën  Eigen herinneringen, familieverhalen en mondelinge overlevering binnen familie, buurt en dorp.  Familiale documenten, foto’s, bidprentjes en andere persoonlijke sporen.  Burgerlijke stand, parochieregisters, genealogische gegevens en familiehistorische aanknopingspunten.  Lokale en heemkundige bronnen over Hoekzele, het Meetjesland, plaatsnamen, dialectwoorden en dorpsgebruiken.  Erfgoedmateriaal over kantklossen, seizoenarbeid, schoolleven, kerkelijke context en dagelijks leven in de jaren zestig en zeventig.  Publieke bronnen over bredere historische, maatschappelijke en culturele context, waaronder televisie, wielercultuur en kerkelijke gezagsverhoudingen.

197  Historische en erfgoedbronnen over instellingen aan de rand van het dorp, waaronder het voormalige rijksopvoedingsgesticht op Sint-Pietersveld.  Mediahistorische bronnen over de Vlaamse televisie van de jaren zestig en over de zeezenders voor de kust, waaronder het radioschip Uilenspiegel.  Publieke berichtgeving, documentaires en openbare verslagen over seksueel misbruik binnen de Kerk, en over de latere erkenning, hulpverlening en meldpunten.  Algemeen toegankelijke medische en psychologische informatie over de aandoeningen die in dit boek ter sprake komen, waaronder hypofyseadenoom, burn- out en endogene depressie. Deze bronnen nemen de herinnering niet over. Ze wandelen ernaast, als kleine bakens voor tijd, plaats en taal.

198 Woordenlijst Deze woordenlijst licht enkele dialectwoorden, dorpsgebruiken en medische begrippen toe die voor lezers buiten de streek minder vanzelfsprekend kunnen zijn. De lijst is bewust thematisch gehouden: eerst woorden uit dialect en dorpsleven, daarna medische begrippen. Zo blijft de toelichting dicht bij de leeservaring van het manuscript. Westdreef: fictieve straatnaam; verwijst naar de Wingenestraat. Dialect en dorpsleven  bietenfrans (hoofdstuk 1): kleurrijk, gebrekkig of dialectisch Frans van seizoenarbeiders die in Frankrijk werkten.  blaffeturen (hoofdstuk 1): luiken of houten vensterblinden aan de buitenzijde van een raam, bedoeld om licht, warmte, kou of inkijk te weren.  chiekhoek (hoofdstuk 8): plaatselijke aanduiding voor een deel van de kerk, verbonden met mannen en het gebruik van pruimtabak of kauwtabak.

199  communiebank: knielbank of afscheiding vooraan in de kerk waar gelovigen vroeger de communie ontvingen.  dikkop (meervoud dikkoppen) (hoofdstuk 2): dialectwoord uit de streek voor een kikkervisje; de ronde, donkere kop geeft het zijn naam. Het woord komt voor bij de bronpoel in De Zouter.  eek (hoofdstuk 9): plaatselijk dialectwoord voor eik.  eekronkers (hoofdstuk 9): dialectische benaming voor meikevers; zo genoemd omdat ze vaak in eiken zaten en een eik in het plaatselijke dialect een eek werd genoemd.  krakke (proloog): plaatselijk dialectwoord; betekenis afhankelijk van de context waarin het in het dorp werd gebruikt.  millefeuille: feesttaart opgebouwd uit verschillende lagen bladerdeeg, met daartussen slagroom en bovenop vers fruit en nog eens slagroom;  molenaars, bakkers en paters (hoofdstuk 9): kinderlijke benamingen voor eekronkers of meikevers naargelang hun kleur: lichte exemplaren werden "molenaars"

200 genoemd, bruine exemplaren "bakkers" en donkere exemplaren "paters".  muit (hoofdstuk 6): vogelkooi, vooral gebruikt bij vinkenzettingen.  mussenkip (hoofdstuk 3): kleine metalen val om mussen te vangen.  papzakken (hoofdstuk 3): jonge, nog kale vogeltjes in een nest.  plechtige communie: katholiek ritueel waarbij kinderen op latere lagere-schoolleeftijd op een feestelijke en publieke manier hun communie deden.  puit (meervoud puiten) (hoofdstuk 2): dialectwoord uit de streek voor een kikker; het standaardwoord ‘kikker’ werd lokaal niet gebruikt. Het woord komt voor in hoofdstuk 2.  puitekoppen (hoofdstuk 3): dialectische benaming voor kikkervisjes.  puiterek (hoofdstuk 3): dialectwoord voor kikkerdril, de geleiachtige klompen eitjes die kikkers in het water leggen.